Fleurs column: Treinleed

fleurs column

Sommige dingen schijn je nooit te verleren. Mensen die dit menen te weten, doelen daarmee meestal op dingen die ik toch nooit geleerd heb, zoals baby’s baren, beton storten of diepzeeduiken. Ik geloof ze ook nooit helemaal. Volgens mij is alles te verleren, met als enige verschil dat men verleerde zaken ook weer kan áánleren.

Zoals treinreizen.

Dat heb ik, met dank aan een auto, verleerd. Ik 
dóe het nog weleens, zo van gisteren ben ik nou 
ook weer niet, maar niet genoeg om ooit nog zo’n 
kloeke forens te worden. Bovendien, het moderne treinleven kent meer ontberingen dan ik kan bij-
benen. Neem die zogeheten ‘fietsflats’. Ik weet niet welke sadist er achter dit ontwerp zit, maar ik vermoed dat hij iets heel engs met hamsters doet in vochtige kelders. Het is mij nog nooit gelukt om zonder ten minste één gat in mijn hoofd daarin mijn fiets te parkeren. En dan heb ik het over de begane grond, want aan een verdieping hoger wáág ik me niet eens. Zeker niet sinds ik een meisje op de grond zag creperen onder een uitgebraakte fiets.

De volgende boobytrap staat vervolgens al klaar, want er dient, met nog precies één minuut op de klok, ook nog ingecheckt te worden. Dit weet zo’n OV-chipkaart natuurlijk ook, dus die besluit in het kader van extra stimulans en uitdaging in zijn leven dan altijd nét te weinig saldo te hebben zodat je nét te laat komt. En zit je eindelijk in die trein, dan is de volgende taak om voortdurend aan andermans aura te ontsnappen. Hetgeen niet altijd eenvoudig is, weet ik maar al te goed. Zo was daar in de categorie ‘opzichtige masturbanten’ ooit de tweelingbroer van Zanger Rinus, die zijn bavianenblik vast haakte op borsthoogte en genotzuchtig kreunend over zijn kaki broek begon te wrijven. Het geheel was te sneu om bang van te worden, al ging ik voor de zekerheid toch maar een coupé of twee verder. Enger was 
die keer dat ik ’s avonds laat met een half verkoolde 
beroepsjunk in de coupé zat die gezellig zijn crackpijp zat te roken. Ieder zijn meug, totdat ik merkte dat hij naar me zat te staren via de weerspiegeling van het raam. “Ja. Je hebt gelijk”, zei hij tegen het luchtledige. Zijn crackengel, vreesde ik. “Ze zal moeten sterven. We gaan haar dood vermoorden.”

Ik overleefde de reis hoor, zij het wederom een 
coupé verder en ietwat schichtiger dan voorheen. Ach, en dan heb je nog de ranzige vreters, de 
kotsers, de schreeuwers, de brallers, de stinkers, 
de bellers, de ‘ssssssst!’-roepers, de vechters, de staarders, de kortpittigen, de straatkatten en het grote leger schutkleurige kantoorfossielen, levensmoe voor zich uit starend met lege broodtrommel en volle halve liter. Zie dat maar eens uit je aura te houden allemaal. Het lukt me gewoon niet. Daarom wil ik tegen al die kloeke forensen, die dag in dag 
uit dit alles en óók nog die fietsflat overleven, het volgende zeggen: jullie zijn helden. Verleer dat niet.

En neem een auto.


 

VIVA-journalist Fleur Meijer (34) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Je kunt het blad hier online bestellen.

fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Lees meer columns van Fleur:
Kampioen
Factor Twintig
Amsterdamned
Wormgat
Mannetjes
Penisnood
Je suis Kruidvat
Kolonisatie
Ikea
Krabbegat
Instafame
Septemberissues
Vlooien