Fleurs column: Wegwijsman

“Ik heb een plan,” sprak de Kameel. “Ik luister,” zei ik. Dat zeg ik altijd als de Kameel een plan heeft, en dat komt nogal eens voor. Het plan was als volgt: als zijn ouders straks kwamen, helemaal vanuit het zuiden, gingen we even met ze wandelen in Panneland. “Vinden ze vast prachtig.”

Panneland is inderdaad een overdreven mooi 
natuurgebied vol weelderige bossen en duinen, 
dat ook nog eens barst van de wilde herten. Natuurkitsch in optima forma, uitermate geschikt om indruk te maken op mensen uit het zuiden, en 
op schoonouders in het bijzonder.

“Gewoon een uurtje, anderhalf max,” aldus de Kameel. “Zijn we ruim op tijd terug, kan jij daarna aan de vissoep beginnen.” Ik knikte. Uitstekend plan.

Zo stond ik even later het bord bij de ingang van Panneland te bestuderen. “Moeten we niet een route uitstippelen?” vroeg ik. Aan niemand in het bijzonder, zo bleek, want de Kameel en de schoonouders hadden er reeds de pas in. En toen ik hem inhaalde en daarbij het woord ‘route’ liet vallen, sloeg hij vaderlijk zijn arm om mijn schouder. “Nee hoor,” zei hij. “Ik weet de weg.” Ach ja, natuurlijk. De Kameel is niet alleen een plannenman, maar ook een wegwijsman.

“Iemand moet het doen hè,” riep hij richting de schoonouders. “Fleur heeft het oriëntatievermogen van een blinde gnoe.” Nou ja, vooruit. Ik verdwaal inderdaad. Altijd, overal. Oók in hotels en parkeergarages. Ik stel daarom ook exorbitant veel vertrouwen in de wegwijsman. Dus ik trok gedwee achter 
de Kameel aan, en het bos zelf trok op haar beurt 
alles uit de kast om de schoonouders te imponeren: het was een groot Anton Pieckerig sprookjesboek, 
badend in majesteitelijk zonlicht. Er waren godbetert zelfs babyhertjes.

“Zijn we al op de terugweg?” vroeg ik eens na een uur of twee en een hert of veertig. Want ik begon nogal dorstig te worden en blaartechnisch zag het er ook niet best uit, zo zonder sokken in mijn schoenen.

“Ja, we zijn er zo,” sprak de Kameel tot zijn karavaan. “Geen paniek.” Ik stopte abrupt. Als mannen ‘geen paniek’ zeggen, is dat hét uitgelezen moment om 
eens goed in paniek te geraken.

“We zijn verdwaald!” riep ik. “Geef toe!”

“Misschien een beetje,” zei de Kameel, waarna hij 
er al grappend – “Anders drink je uit een beekje!” – de moed in probeerde te houden. De schoonouders stapten onderwijl vrolijk voort, want nog uit zo’n frisgewassen Hollandse generatie. En ik, generatie Nix/Patat, voelde acuut tien nieuwe blaren en een woedeaanval van exorcist-achtige proporties opwellen. Die ik, de ideale schoondochter indachtig, probeerde in
 te slikken, maar dat is niet bepaald makkelijk met een gortdroge keel. “Ik vertrouw je niet meer! Nooit meer!” gromde ik hem toe. Ik had inmiddels de tred van een scheefgetrokken zombie, dus het maakte extra indruk.

“Sorry,” zei hij. “Ik ben een StomStom.”
Enfin. Zo’n vier uur en vijftien kilometer later stond 
ik gelukkig toch nog vissoep met scheefgetrokken bouillon te maken.
Gewoon volgens plan. Iemand moest het doen.


VIVA-journalist Fleur Meijer (34) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Je kunt het blad hier online bestellen.

fleur.meijer@sanoma.com
Twitter: @lafleurfatale

Lees meer columns van Fleur:
Treinleed
Factor Twintig
Amsterdamned
Wormgat
Mannetjes
Penisnood
Je suis Kruidvat
Kolonisatie
Ikea
Tatoeaties