Livia is bipolair: ‘Al mijn hele leven voel ik me of superblij of heel slecht’

Zonder na te denken een vakantie naar Zanzibar boeken en een week later douchen al te veel vinden. Student Livia Spies (21) heeft een bipolaire stoornis en leeft van piek naar dal.

Tekst Milou van der Will Foto Dirk-Jan van Dijk

‘Al mijn hele leven voel ik me of superblij of heel slecht. Dat hoort bij me, dacht ik altijd. Vooral tijdens mijn tienerjaren werd het heftig. Ik had last van paniekaanvallen, omdat ik doodsbang was dat ik over moest geven. Tijdens zo’n aanval voelde ik me benauwd, werd het zwart voor mijn ogen en ging ik hyperventileren. Daardoor ging ik bewust dingen uit de weg, zoals een wintersportuitje van school. Ik durfde die bus niet in, te bang voor een paniekaanval. Maar daar bleef het niet bij. Iedereen heeft weleens een baaldag en gaat vervolgens fluitend door met leven. Ik kon dat niet. Als ik een baaldag had, voelde ik me te depressief om mijn bed uit te komen en was douchen zelfs te veel. Ik vond mezelf hierdoor een sukkel. Aan mijn omgeving liet ik niks merken. Ik wilde absoluut niet dat vriendinnen of andere mensen op school iets aan me merkten. Dus deed ik alsof het er allemaal niet was en voerde ik constant toneelstukjes op. Smoesjes had ik altijd paraat en daar ging ik ver in. Over die wintersportreis zei ik bijvoorbeeld dat ik liever met mijn ouders op wintersport ging, omdat ik niet wist hoe lang ze dat nog zouden kunnen doen. Een paar vriendinnen prikten soms door mijn smoesjes heen, maar dat loste ik op door het weg te lachen. Zei ik gewoon: ‘Ja, Liv kon haar bed niet uitkomen hoor, hahaha!’

Suïcidale gedachten

‘Mijn ouders merkten dat er meer aan de hand was dan af en toe een baaldag. Ik kwam soms dagen mijn bed niet uit. Ik had nergens zin in. Mijn moeder slikt zelf antidepressiva en mijn opa is ook gevoelig voor depressies. Tegen beter weten in probeerde mijn moeder me er nog doorheen te slepen, maar dat was niet genoeg. Op een dag, in bed, wist ik niet meer hoe ik die grijze wolk mijn hoofd uit moest krijgen. Radeloos was ik. Als ík het niet kon oplossen en mijn ouders ook niet, hoe moest het dan verder? Ik schrok van mijn eigen gedachten. Over de zelfmoord van Antonie Kamerling en Joost Zwagerman dacht ik eerst altijd: hoe kún je zoiets doen? Maar ineens begreep ik ze. Ik kon me voorstellen dat je zo op je tandvlees loopt dat je niet meer kunt. Ik begon een rust te voelen, die me eerst nog beangstigde, maar steeds prettiger werd. Ik voelde opluchting. De dood werd een reëel iets voor mij, een uitweg. Wat heerlijk, dacht ik er soms zelfs bij.

Tijdens een avondwandeling met mijn moeder durfde ik mijn suïcidale gedachten met haar te delen. Ik wist dat het haar verdriet zou doen, maar ik was al zo ver van mijn gevoel verwijderd, dat het me nog maar weinig deed. Ik leek verdoofd. Het was donker en ze liep naast me, dus ik hoefde haar niet aan te kijken. ‘Mama,’ zei ik, ‘ik trek het niet meer om me altijd maar slecht te voelen, ik weet niet hoe ik het kan oplossen, dus waarom zou ik nog verder willen leven?’ Ze schrok, maar probeerde dat te verbergen. Ze herkende die gevoelens van zichzelf, dus het werd gelukkig niet meteen een hysterische bedoening. Ze vroeg alleen: ‘Heb je al een datum gepland?’ Dat had ik niet echt, maar het was toen november en het nieuwe jaar hoefde ik niet zo nodig meer te halen. Die gedachte, dat het niet meer hoefde, was als een verlossing. Een paar avonden later voelde ik me zo radeloos dat ik alleen nog maar kon ijsberen. Stilzitten ging niet, de adrenaline gierde door mijn lijf. Mijn ouders besloten de crisisopvang te bellen. Puur voor mijn ouders liet ik me opnemen. Zelf had ik er nog maar weinig vertrouwen in dat iemand die grijze wolk weg kon krijgen.

De opname was verschrikkelijk: als achttienjarige hoorde ik niet meer bij de jongeren, dus zat ik in de algemene dagopvang tussen veel oudere mensen. Ik voerde gesprekken met psychologen en tussendoor kookte ik met de groep, zodat we het gevoel zouden krijgen dat we voor onszelf konden zorgen. Toch voelde ik me daar nutteloos, het bracht me geen steek verder. Ik kreeg er wel een hernieuwde strijdlust van, omdat ik allesbehalve daar wilde zijn. Mijn moeder zocht naar alternatieven, naar iets wat me weer wat richting kon geven. Ik was gestopt met mijn studie, ik zag mijn vriendinnen niet meer – die overigens heel verbaasd hadden gereageerd toen ik werd opgenomen, ze hadden nooit iets doorgehad. Het was belangrijk om mijn leven terug te krijgen.

Het hele interview met Livia komt uit VIVA 20. Deze editie kan je hieronder via Blendle online lezen.

»HET HELE ARTIKEL LEES JE HIER OP BLENDLE «