Lonn verloor haar vriendin bij een scooterongeluk: ‘Was ik maar dood en niet zij’

Donderdagavond, 27 februari 2014. Tijdens een scooterrit naar de sportschool raakt Lonn (21) samen met haar vriendin Anne betrokken bij een ernstig ongeluk. Lonn overleeft het, haar vriendin niet.

Tekst: Kimberly Palmaccio | Foto’s: Dirk-Jan van Dijk

‘Zoals elke donderdag zou Anne me ophalen om te gaan sporten. Het regende die avond. Even hadden we getwijfeld om te gaan, maar carnaval stond voor de deur – oftewel bier en ongezond eten – dus we besloten dat een uurtje fitness geen kwaad kon. Een kwartier later stond ze met de scooter voor mijn deur. Ik gaf mijn moeder een kus en sprong achterop. Anne reed. Eerst door mijn woonwijk, daarna langs een drukke weg. We hadden nog een paar kilometer te gaan toen we een binnendoorweg kozen. Ik weet niet waarom, hier reden we anders nooit. Maar misschien was het wel sneller. Het was een lange, brede weg met daaromheen grasvelden en bomen. De weg was nat, de wind guur. In de verte zag ik koplampen. De auto kwam onze kant op en de lichten werden steeds groter en feller. Al snel zag ik dat de bestuurder op onze weghelft reed. Hij kwam met volle vaart op ons af. In een reflex greep ik Anne stevig vast en kneep mijn ogen dicht. Ik hoorde Anne nog ‘shit!’ roepen. Ze remde. Maar omdat het had geregend, slipten we. Met een harde klap werden we van de zijkant geraakt. Mijn hoofd klapte op de auto, waarna we meters lang over de grond werden meegesleurd. Daarna gleden we onder de auto. Het was er pikkedonker. Uit angst hield ik Anne nog steeds stevig vast. We zeiden niks tegen elkaar, ik wist niet hoe het met haar ging. Ik hoorde alleen het geluid van mijn eigen bonkende hart. Door mijn hele lijf voelde ik pijnscheuten. Ik zag niks en was doodsbang. Het waren de langste minuten uit mijn leven. Wat er daarna gebeurde, weet ik niet meer. De ambulanceverpleegkundigen vertelden achteraf dat ik druk aan het bewegen was en om Anne schreeuwde. Meteen werd duidelijk dat ik hersenschade had opgelopen. Om de schade te beperken, brachten ze me in een kunstmatig coma.’

Emotieloos door de hersenschade

‘Dezelfde nacht nog werd ik op eigen kracht wakker. Het eerste wat ik me kan herinneren, is dat mijn moeder en stiefvader naast mijn bed stonden. Allebei met tranen in hun ogen. Ik trok meteen de slang uit mijn mond, kon heel goed plaatsen wat er was gebeurd en wist alles nog. Ik voelde er alleen niks bij, al mijn emoties waren verdwenen. Dat kwam door de coma, vertelde de artsen. Zo schijn ik ook heel koelbloedig te hebben gereageerd op het nieuws dat Anne ter plaatse was overleden. ‘O,’ zei ik droog, ‘dan heeft ze in elk geval niet geleden.’ De hele ziekenhuisperiode – in totaal acht dagen – is één vage herinnering. De details hoorde ik achteraf van familie of vrienden. Wel weet ik dat ik veel pijn had. Ik had overal kneuzingen en zat onder de schaafwonden en blauwe plekken. Ik werd onderzocht en moest veel revalideren. Omdat mijn evenwicht verstoord was, moest ik opnieuw leren lopen, opstaan, fietsen, rennen, álles. Ik voelde me net een kleuter. Het is frustrerend als je als vijftienjarige geen stap vooruit kunt zetten zonder te vallen. Al heb ik in die periode geen traan gelaten. Een dag voor de begrafenis van Anne mocht ik naar huis. Ook die dag ging compleet langs me heen. Wederom liet ik geen traan. Wel had ik veel steun aan de ouders van Anne. Het was fijn om ze te spreken en om samen te zijn. Verder weet ik niet veel meer van haar begrafenis.’

Een schim van zichzelf

‘De dagen vlogen voorbij. Mensen gingen door met hun leven. Ze vierden carnaval, gingen op vakantie, hadden lol. Ik niet. Ik was extreem vermoeid en sliep veel, vaak veertien uur per dag. Ik mocht echt in mijn handen knijpen als ik een uur achter elkaar iets kon doen. Ik was mezelf niet meer, was agressief en had schijt aan iedereen. Voorheen was ik een open boek, nu vertelde ik niks meer. Niet eens aan vriendinnen. Vooral mijn moeder en stiefvader hadden het zwaar te verduren. Ik schreeuwde naar ze, werd om het minste of geringste boos en sloeg dan alles van tafel. Vaak vluchtte ik van huis en ging naar mijn vriendinnen. Daar kon ik alles voor heel even vergeten. Een paar maanden later kreeg ik de uitslag van de neuropsychologische onderzoeken. Het was het slechtste nieuws dat ik kon krijgen: de hersenschade was blijvend. Oftewel: ik had niet-aangeboren hersenletsel, NAH. In één klap zag ik mijn toekomst in duigen vallen. Het ongeluk had alles veranderd, mijn wereld stortte in. Ik wilde altijd bij de narcoticabrigade werken, dat was mijn droomcarrière. De dokter vertelde dat ik dat door mijn hersenletsel nooit zou kunnen. Sterker: zelfs bij de simpelste baantjes werd ik niet aangenomen. Ik solliciteerde me suf, bij kledingwinkels, supermarkten en horecatentjes. Maar niemand leek geïnteresseerd in iemand met NAH die maar een paar uurtjes per week kan werken.’

Te depressief om uit bed te komen

‘Het was inmiddels twee jaar na het ongeluk, ik had mijn vmbo-diploma behaald en moest toch íéts. Na vijftig sollicitaties gaf ik het op en kwam ik terecht bij een school speciaal voor jongeren met NAH. Daar kreeg ik ook behandelingen in het revalidatiecentrum dat aan de school verbonden was. Elke dag kreeg ik ergotherapie, fysiotherapie en gesprekken met psychologen en revalidatieartsen. Ik ging op mezelf wonen in Arnhem, wat achteraf een domme beslissing was. Ineens moest ik alles zelf doen: boodschappen, het huishouden, de administratie. Dat trok ik niet. Bovendien kende ik niemand in Arnhem. Ik had nog wel contact met de vriendinnen die ik voor het ongeluk had, maar ik stootte iedereen af. Ik voelde me alleen, had op school met niemand een klik en voor mijn gevoel deed ik niks nuttigs. Daar bereikte ik mijn dieptepunt en werd zwaar depressief. Ik had de ene woedeaanval na de andere. Dan scheldde, schreeuwde en huilde ik alles bij elkaar. Op een slechte dag sliep ik 22 uur. Dan werd ik wakker omdat ik moest plassen, maar plaste ik nog liever in bed dan dat ik op wilde staan. Ik heb vaak tegen mijn moeder gezegd dat het leven voor mij geen zin meer had. Het voelde alsof ik een last was voor iedereen. Alsof mijn leven was verpest: ik had geen toekomst, de revalidatie ging niet goed, wat moest ik hier nog? Ik heb vaak zelfmoord overwogen. In de weekenden ging ik met de trein terug naar huis. Soms dacht ik: ik loop een paar honderd meter verder zodat niemand me kan zien en gooi mezelf nú voor de trein. Maar dat kon ik mijn omgeving niet aandoen. Zij zijn de reden waarom ik het niet deed. Zonder hen was ik er nu niet meer geweest.’

Drie agenda’s als geheugensteun

‘Mijn moeder merkte dat het slecht met me ging en stond erop dat ik weer thuis kwam wonen. Ik stopte met school en de revalidatie en mocht – gelúkkig – als verzorger een paar uur in de week aan het werk in de ouderenzorg. Vanaf dat moment ging het beter met me. Sinds een halfjaar kan ik zeggen: ik lijk steeds meer op de oude Lonn. Al zal ik nooit meer helemaal de oude worden. De filter in mijn hersenen is blijvend beschadigd, hierdoor kan ik moeilijk met emoties omgaan. Als ik blij ben, ben ik héél blij. En als ik boos ben, ben ik héél boos. Ik heb nog steeds woedeaanvallen, maar in mindere mate. Daarnaast moet ik veel sporten om de vermoeidheid tegen te gaan en is mijn prikkelverwerking traag. Als ik naar een feestje ga, heb ik minstens een week nodig om bij te komen. Soms ben ik twee weken erna nog van slag. Dan ben ik zwaar oververmoeid, heb continu hoofdpijn en moet veel overgeven. Buitenstaanders kunnen zich daar niets bij voorstellen. ‘Ik ben ook weleens moe na een festival,’ zeggen ze dan. Alsof je dat met elkaar kunt vergelijken. Ook is mijn kortetermijngeheugen aangetast. Ik heb drie agenda’s waarin ik alle afspraken noteer. Doe ik dat niet, dan vergeet ik het sowieso. Mijn moeder houdt mijn agenda ook bij en herinnert me vaak aan afspraken. Soms weet ik een paar uur na het avondeten niet meer wat we hebben gegeten. Dat soort dingen vraag ik dan aan mijn moeder. Zonder haar hulp ben ik nergens.’

Op naar een rooskleuriger toekomst

‘Ik ben dankbaar dat ik nog leef. Al is het nog steeds dubbel. Ik heb vaak gedacht: was ík maar dood in plaats van Anne. Ik heb geluk dat ik er nog ben, maar mijn leven is totaal veranderd. Toch gaat het beter. Sinds januari heb ik een vast contract bij mijn werk in de ouderenzorg. Ik zie mijn toekomst wat rooskleuriger in. Bijna vijf jaar lang heb ik moeten strijden om te staan waar ik nu sta. Dat heeft veel pijn en moeite gekost. Maar nu kan ik met gepaste trots zeggen dat ik het geflikt heb.’

Dit interview is afkomstig uit VIVA 3-2019.