Mounir Samuel: ‘Mijn coming-out en de publieke wending die dat nam, was voor mij geen feestelijk gegeven’

Politicoloog en journalist Mounir Samuel werd geboren als vrouw, maar gaat nu als man door het leven. ‘Ik weiger voor een hokje te kiezen. Daar worden veel mensen heel ongemakkelijk van.’

De kroegen van de Reguliersdwarsstraat in Amsterdam zijn stampvol. Zweterige lijven plakken aan elkaar vast. De muziek – ééntonige hitjes met vertrouwde bubbelingbeats – dreunen door de speakers. Ik weet niet hoe vaak ik in deze benauwde gaycafés heb gestaan. Exit. Soho. Taboe. Ze zijn vaste prik voor ieder die zich Amsterdams en LHBTIQ’er noemt, of welke andere letter van het voortdurend uitdijende alfabet. Deze roze straat op de hoek van het Koningsplein, die in de afgelopen jaren vooral een toeristenparadijs is geworden, heeft z’n glans allang verloren. Maar mijn partner kijkt haar ogen uit. Als Marokkaans-Nederlandse is ze nog nooit in een gaybar geweest. Ik merk echter heel andere blikken op. Vijandige blikken. ‘Het Rembrandtplein is om de hoek hoor,’ bijt een gladde blonde jongen me toe. ‘Volgens mij moeten jullie in Nieuw-West zijn,’ zegt een ander, refererend aan onze kleur.

Reacties na coming-out

Jarenlang was ik niet alleen vast onderdeel van de LHBTIQ-gemeenschap, maar (ongewenst) ook een boegbeeld. Toen ik in 2011 via mijn blog uit de kast kwam, was ik opeens de eerste publieke lesbienne van kleur, de eerste prominent gelovige lesbienne ook, die regelmatig op tv verscheen. De stortvloed aan reacties was ongekend. Binnen drie uur tijd was mijn blog, die ik tot ‘met beide benen uit de kast’ had gedoopt, door 25.000 bezoekers gelezen.

Ik had in de voorafgaande maanden algemene bekendheid verworven door als 21-jarige vrouw en jongste Midden-Oostendeskundige en politicoloog ooit in de grote tv-talkshows aan te schuiven. Ik maakte furore door buikdansend op de tafel van Pauw en Witteman te staan toen de Egyptische president Mubarak aftrad. Ik had nooit kunnen vermoeden wat de impact van mijn coming-out zou zijn – vooral binnen de islamitische gemeenschap. Voor het eerst zagen Turkse- en Marokkaans-Nederlandse meiden iemand die op hen leek, die ook met god, gemeenschap en gemoedsrust had geworsteld, die braaf met een man getrouwd was geweest en toch niet anders kon dan uit de kast komen – hoe pijnlijk ook. Honderden mails en Facebookberichten waren het gevolg.

In 
de daaropvolgende maanden en jaren ontmoette ik tientallen islamitische meiden in het hele land die mij – soms huilend – vertelden over hun innerlijke strijd, hun religieuze zoektocht, de angst voor god en hun ouders, omdat ze simpelweg niet verliefd konden worden op de door ‘de gemeenschap’ gewenste man, of welke man ook. Ze waren niet de enigen die me contacteerden. Mijn uitgevers werden bedolven onder post aan mijn adres. Kunstig geschreven brieven van dames op leeftijd die me vertelden hoe ze een leven lang hun geaardheid voor hun echtgenoot en kinderen verborgen hadden gehouden. Velen besloten alsnog de stap naar buiten te zetten, zelfs al waren sommigen voorbij de zeventig. Ik wou dat ik kon zeggen dat het bij dit soort correspondentie bleef. Maar ik werd ook gebombardeerd met tweets en mails waarin mannen mij voor ‘hoer’, ‘slet’, ‘vuile pot’ en erger uitmaakten. Ik zou mijn man (‘dat lulletje rozenwater’) ‘verraden en vernederd’ hebben. En ten slotte zou ik natuurlijk op heel andere gedachten komen als ik hun pik zou voelen.

In de meest minutieuze verhandelingen beschreven deze Keesen en Willems hoe ze me van top tot teen onder handen zouden nemen. Daarin maakten ze vaak gebruik van pijnlijk exotisme als ‘dat romige Arabische huidje van jou’, ‘die grote zaadvragende oosterse ogen’ en andere westerse fantasieën over duizend-en-één nacht.

In de doofpot

Ik groeide op als kind van een Egyptische vader en Hollandse moeder in Amersfoort. Ik was me altijd bewust van mijn afkomst en kleur, maar mocht het daar van mijn ouders niet over hebben. Er werd thuis geen Egyptisch-Arabisch gesproken, want daar zou ik een accent van krijgen. Op papier heette ik Mounira, maar ik werd Monique genoemd. De achternaam was zo vertaald dat Hollanders zich er raad mee wisten. Mijn vader deed er alles aan om voor volle Hollander te worden aangezien. Maar al woont hij al langer in Nederland dan dat hij in Egypte heeft gewoond, hij blijft voor de meesten gewoon ‘de Egyptenaar’. Mijn coming-out en de publieke wending die dat nam, was voor mij geen feestelijk gegeven. Ik scheidde van mijn man, mijn beste vriend tot dan toe. Mijn ouders toonden geen begrijp of steun, ik raakte al mijn vrienden kwijt, mijn Hollandse familie keerde me de rug toe. Mijn vader verbood me het aan mijn Egyptische familie in Caïro te vertellen. Ik deed het toch.

Het hele interview met Mounir komt uit VIVA 19. Deze editie kan je hieronder via Blendle online lezen.

»HET HELE ARTIKEL LEES JE HIER OP BLENDLE «