Ingrid: ‘Om niet te hoeven socializen met collega’s, fiets ik in de pauze naar huis’

Voor Ingrid (28) is lunchen met collega’s al een helse opgave. Ze heeft een sociale angststoornis en kan het idee niet verdragen dat mensen op haar letten.

Onder redactie van Fleur Meijer | Tekst Carlijn Biesemaat | Beeld Sanoma Beeldbank

‘Sinds kort werk ik bij een groot bedrijf, waar je een toegangspas nodig hebt om door de poort te kunnen. De poort wordt bewaakt door een portier. Ik ben als de dood dat ik bij dat hek sta te klungelen. Dat de mensen achter me moeten wachten, omdat ik niet meer weet hoe ik het pasje door de scanner moet halen. Wat zal die portier wel niet denken? Om nog maar te zwijgen over de mensen achter me. De eerste weken zette ik mijn fiets tien minuten verderop. Die toegangspoort is al erg genoeg, met de fiets aan de hand wordt het alleen maar moeilijker. Want waar zet ik die dan neer als ik dat pasje erdoorheen moet halen? Bovendien moet ik dan op het terrein zelf ook nog een stuk fietsen. Iedereen loopt of rijdt er in een auto, die mensen vinden het vast raar dat ik op de fiets ben. In dit soort situaties schakel ik mijn gevoel compleet uit, want als ik er te veel over nadenk, moet ik huilen.

Al zolang ik me kan herinneren, heb ik last van sociale angstklachten. Ik weet nog dat ik weken voor sinterklaasavond al extreem nerveus was. Mijn moeder liet me mijn gedicht van tevoren lezen, zodat ik al wist waar het over ging. Pas op de middelbare school werd ik me bewust van mijn klachten. Simpele dingen vond ik doodeng: door de aula lopen, mijn tas uit m’n kluisje halen, klasgenoten inhalen. Ik werd bang van het idee dat iedereen naar me keek. Ze vonden me stom en lelijk, daar was ik van overtuigd. Omdat ik gelukkig wel een paar vriendinnen had, wist ik mijn angsten te verbergen. Dat iemand met een sociale fobie geen vrienden kan hebben, is een misvatting. Het duurt lang voordat ik mensen vertrouw en me op mijn gemak voel bij ze, maar áls ik eenmaal contact heb gelegd – of beter: als mensen contact met mij hebben gelegd – gaat het goed. Wat ik vooral eng vind, zijn onbekende mensen en grotere groepen. Ik ben dan op mijn hoede en denk na over alles wat ik zeg, vraag en doe.’

‘Al zolang ik me kan herinneren, heb ik last van sociale angstklachten.’

Brrrr, pauzes

‘Negatief beoordeeld worden is sowieso een continue angst. Na de middelbare school ging ik studeren. Ik was enorm gemotiveerd om een opleiding te volgen, maar het werd een regelrechte ramp. Ik durfde niets. Vandaar dat ik vroegtijdig ben gestopt. Omdat ik niet wist wat ik met mijn leven wilde, ging ik tijdelijk aan de slag bij een kinderdagverblijf. Dat was zwaar in het begin, maar uiteindelijk kon ik er mijn draai vinden. Alleen de pauzes waren een ramp. Om niet te hoeven socializen met collega’s, fietste ik tijdens de lunch in tien minuten naar huis. Daar rustte ik dan vijf minuten uit, om weer terug te fietsen naar het kinderdagverblijf. Die gesprekjes over het weekend vond ik verschrikkelijk. Ik was bang om rare woorden te gebruiken, rood aan te lopen en uitgelachen te worden. En dus liep ik ervoor weg. Dat deed ik een paar maanden lang, totdat ik weer zin kreeg om te gaan studeren. Het leek me eng, maar ook goed, omdat ik me niet wilde neerleggen bij mijn angst en ik mezelf wilde blijven ontwikkelen. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en schreef me in bij een studentenvereniging. Best gek voor iemand met een sociale fobie, maar het zit wel in mijn aard om mijn grenzen steeds te willen verleggen.

De eerste drie maanden ging ik vol spanning naar alle bijeenkomsten en borrels, maar na verloop van tijd voelde ik een klik met de mensen daar. Als ik foto’s van toen terugzie, valt het me op dat ik straal. Doordat ik stage ging lopen in een ziekenhuis, kwam er abrupt een einde aan die fijne periode. Het piekeren begon al in de trein naar mijn stage. Ik was als de dood dat ik mijn stagebegeleider toevallig zou tegenkomen. Wat moest ik tegen haar zeggen? Om tot rust te komen, sloot ik me ’s ochtends op werk op in de wc. Dat moment voor mezelf had ik nodig. Een ziekenhuis is voor iemand met een sociale fobie een dramatische omgeving. Vanwege al die nieuwe mensen, maar ook omdat je door de wachtkamer loopt waar alle ogen op je gericht zijn. Was ik maar veilig thuis, dacht ik vaak. Mijn bachelor heb ik nog gehaald, maar de master – waar deze stage bij hoorde – bleek te veel voor me. Daar ben ik dan ook mee gestopt.’

Therapie na therapie

‘Sociale fobie zit in mijn familie. Mijn vader is angstig aangelegd: hij heeft weinig vrienden en kennissen, en is erg contact vermijdend. Daartegenover staat mijn moeder, die perfectionistisch is. Ik ben opgegroeid met het idee dat ik altijd alles tot in de puntjes moet voorbereiden. Soms vertoon ik zelfs dwangmatig gedrag. Op mijn negentiende is officieel vastgesteld dat ik een sociale fobie heb. Om ervan af te komen, heb ik verschillende vormen van therapie gevolgd: van groepsbehandeling tot mindfulness. Sommige trajecten waren succesvol, andere minder. Ik ben er in elk geval milder door geworden. Ik ben minder streng voor mezelf: wanneer iets me eng lijkt, doe ik het gewoon niet. Zo werd ik laatst uitgenodigd voor een kinderfeestje. Jaren terug zou ik gegaan zijn, maar nu heb ik vriendelijk bedankt. Ik weet dat het me veel stress oplevert, van tevoren én op het feest zelf. Dat is het me niet waard. De enige vorm van begeleiding die ik nog heb, is een werkcoach. Door hem ben ik terechtgekomen bij het bedrijf waar ik nu werk. Mijn leidinggevende op de werkvloer weet van mijn sociale fobie, andere collega’s niet. Laatst moest ik me onverwacht voorstellen aan mensen. Ik werd rood, begon te hakkelen en wist niet waar ik moest kijken. Op zulke momenten voel ik me betrapt. Het is voor mij heel belangrijk dat ik niet opval. Alles moet normaal lijken en als dat niet lukt, raak ik in paniek.

‘Als ik bezoek verwacht, bedenk ik uren van tevoren hoe ik de deur moet opendoen.’

Het is vermoeiend en ik word er verdrietig van. In tijden dat het écht niet goed gaat, slaap ik slecht, ben ik vaak duizelig en is mijn concentratie ver te zoeken. Ook huil ik dan snel. Vorige week nog heb ik een dag lang liggen brullen. Niet alleen van verdriet, want huilen is voor mij ook ontlading. Ik loop de hele dag op mijn tenen en als ik ’s avonds thuiskom, gooi ik alles eruit. Om de dag door te komen, slik ik antidepressiva. Elke dag, al tien jaar lang. Ik heb het weleens afgebouwd, maar dan is alles meteen enger en reageer ik heftiger op mijn omgeving. Dat maakt me afhankelijk ja, maar het hoort bij mijn leven. Zoals een suikerpatiënt niet zonder insulinespuit kan. Naast mijn fobie heb ik een piekerstoornis: het is nooit rustig in mijn hoofd. Ik denk de hele dag na over de kleinste dingen. Als ik bezoek verwacht, bedenk ik uren van tevoren hoe ik de deur moet opendoen, wat ik ga zeggen en hoe ik daarbij moet kijken. Tot het moment dat het bezoek voor de deur staat, ben ik nerveus. Je ziet het niet aan me. Ik tril niet en ga ook niet zweten als ik in paniek raak – vraag tien willekeurige collega’s wat ze van me vinden, en ze zullen me een leuke, spontane meid noemen. Zelfs mijn vrienden die ik toch al lang ken en met wie ik vertrouwd ben geraakt, snappen niet wat ik voel. Dat kan ik me best voorstellen, het ís ook idioot. Diep vanbinnen ben ik sociaal en ad rem, en weet ik dondersgoed hoe ik me kan uiten. En toch ben ik er bang voor.’

‘Winkels waarin je persoonlijk wordt aangesproken, vermijd ik bewust’

Voor altijd

‘Een tijd geleden wilde ik twee shirtjes ruilen in een winkel. Zoiets is voor mij ongelofelijk spannend. De bon hield ik paraat, want ik word gek als ik in de rij voor de kassa mijn tas moet doorzoeken. Toen ik later in de winkel op zoek ging naar de juiste maat, zag ik dat een verkoopster precies in dat gangpad bezig was. Ik durfde meteen niet meer. Alleen maar omdat ik op dat soort momenten niet weet hoe ik me moet gedragen. Ik kan het nauwelijks uitleggen. Alles wordt dan wazig, alsof ik geen contact meer heb met de dingen om me heen. Ik omschrijf het weleens als ‘mijn glazen huis’: ineens zit ik in een filmwereld. Ook shoppen is voor mij een hele opgave. Winkels waarin je persoonlijk wordt aangesproken zoals een parfumzaak, vermijd ik bewust. Ik wil niet worden geholpen als ik aan het winkelen ben. Ik heb weleens kleren gekocht die ik eigenlijk niet mooi vond, omdat ik ze niet terug durfde te geven aan de verkoopster. Soms ben ik zelfs angstig in mijn eigen huis. Ik woon met drie huisgenoten van wie er eentje nieuw is. Ik ken haar amper en vind het lastig om me in zo’n geval een houding te geven. Het klinkt asociaal, maar haar kom ik liever niet tegen op de gang.

‘Je ziet het niet aan me. Collega’s vinden me een leuke, spontane meid’

Ik ben bang dat mijn sociale fobie nooit overgaat, en dat is een pijnlijke gedachte. Maar ik heb een manier gevonden om ermee om te gaan. Waar ik vroeger negatief was en elke keer dat ik de straat niet op durfde nog angstiger werd – dan dacht ik: straks durf ik helemáál niets meer – hou ik nu vast aan het idee dat het beter wordt. Bij nieuwe situaties, zoals laatst mijn nieuwe baan, zijn de eerste maanden killing, maar daarna gaat het best prima. Het is de kunst om een goede basis te vinden: ik moet ervoor zorgen dat ik niet de hele tijd nieuwe mensen tegenover me heb, daar word ik onrustig en angstig van. Een relatie lijkt me daarom fijn. Ik heb weleens een vriend gehad, maar dat liep mede door mijn fobie stuk. Ik hoop iemand te ontmoeten op een plek waar ik diegene langzaam kan leren kennen, zoals op werk.’

Meer lezen over sociale fobie? Kijk op adfstichting.nl

Dit artikel is afkomstig uit VIVA 46-2017. Abonnee worden of een losse editie van VIVA bestellen? Klik hieronder:

»Bestel VIVA online | Klik hier «