Petra: ‘Het zwaarste was de hoop. Die kan je opbeuren, maar ook de grond in boren’

Petra (41) en haar man Robert kregen van de dokter te horen dat kinderen krijgen geen optie was. Nu, tien jaar later, zijn ze ouders van Liz (4) en Jill (1).

Interview Renée Lamboo-Kooij | Beeld Sanoma Beeldbank

‘Ik zat amper in mijn stoel of hij zei het al. ‘Kinderen krijgen kunnen jullie wel vergeten.’ Dokter Jansen, die naam zal ik nooit meer vergeten. De gedachten raasden in sneltreinvaart door mijn hoofd, maar het moet eruit hebben gezien alsof ik op pauze stond. Artsen konden tegenwoordig zo veel. Waren wij dan dat ene stel bij wie er nul kans was, niks, nada? Roberts zaad was van slechte kwaliteit, omdat zijn balletjes toen hij kind was niet waren ingedaald. Ik wist al een paar jaar dat ik beperkt vruchtbaar was, door endometriose, waarbij mijn baarmoederslijmvlies zich buiten de baarmoeder nestelt. Dat betekende niet dat ik geen kinderen kon krijgen, wel dat het lastiger was. Nu Robert ook beperkt vruchtbaar bleek, was het volgens dokter Jansen onmogelijk. ‘Is er dan echt niets mogelijk?’ vroeg ik nog. Hij mompelde iets over ICSI, maar zei erbij dat het weinig hoopvol was. Maar dat kon me niets schelen, alles met een kans boven de nul procent was de moeite waard. Robert was onder de indruk van het slechte nieuws. Hij voelde zich aangetast in zijn mannelijkheid. Gelukkig begrepen we elkaar. Wanneer hij zei: ‘Lekkere vent ben ik voor jou,’ kon ik zeggen: ‘Nee, en ik dan voor jou.’ Geen van beiden waren we volledig verantwoordelijk. Lachen hielp, zeker wanneer we verdrietig waren. ‘Ik hoef in elk geval geen zaaddonor te worden,’ zei Robert dan. Waarna we allebei heel hard lachten, en stiekem een beetje huilden.’

Janken op de wc

‘ICSI bleek hard werken. Spuiten vol hormonen mijn lijf in, ziekenhuis in en uit. Elke keer dat ik toch weer ongesteld werd, zat ik te janken op de wc. Ik merkte dat de medicatie me veranderde. Ik reageerde op een manier die ik niet van mezelf kende. Kortaf, kribbig. Een maaltijd die niet op tijd klaar was, was reden voor knallende ruzie. Na een uur kwam ik weer tot bezinning en bood ik Robert mijn excuses aan. Sorry. Steeds weer. Hij slikte het en accepteerde mijn excuses. Maar begrip komt niet uit een bodemloze put, wist ik. Ik wilde me wel anders gedragen, maar voelde me soms een vreemde in een bekend lijf. Soms wilde ik opgeven als de hormonen mijn lijf weer op z’n kop zette. En dan had ik ook nog overal ontstekingen door de endometriose, voortdurend pijn. Regelmatig moest ik onder het mes om slijmvlies weg te laten halen van plekken waar het niet hoorde. Het zwaarste vond ik de hoop. Die kan je opbeuren als de zon na een lange winter eindelijk weer gaat schijnen. Maar hij kan je ook de grond in boren, dieper dan je met blote handen kunt graven. De eerste poging leverde niks op, de tweede mislukte, en ook de derde en vierde poging werd ik niet zwanger. Toen dachten we: het is mooi geweest. Het is niet gelukt, het is klaar.’

‘Gebroken ving ik het vruchtje op en bewaarde het maanden in de koelkast’

Twee streepjes

‘Afscheid nemen van de fantasie om ooit een kind in je buik te dragen, is moeilijk. Ik probeerde het wel, maar ergens bleef ik nog steeds hoop houden, waardoor afsluiten niet lukte. Toen we positieve verhalen hoorden over een nieuwe fertiliteitskliniek, keken we elkaar aan en besloten: we proberen het nog één keer. Nog één keer door de molen en terugplaatsen als er iets uitkomt. Er kwamen meer embryo’s voort uit de behandeling dan ooit tevoren, genoeg voor een paar terugplaatsingen. Na de tweede terugplaatsing was ik overtijd. Een dag, twee dagen. Op de bank in de woonkamer testten we. Daar waren ze: twee streepjes. We dansten door de kamer, wat waren we gelukkig! Mijn lijf kon dus toch zwanger worden. ‘Zie je wel, zie je wel,’ bleef ik maar zeggen. Maar na een paar weken ging het mis: ik kreeg krampen. Ik heb het vruchtje opgevangen en in een plastic doosje bewaard in de koelkast. Gebroken was ik. Pas maanden later gooide ik het weg, toen ik drie maanden zwanger was van Liz. We hadden zo veel embryo’s dat we nog een keer terug konden plaatsen en deze keer bleef het kindje zitten. Pas toen ik Liz voelde schoppen in mijn buik, durfde ik te geloven dat ik haar niet zou kwijtraken. En kon ik het kindje dat ik eerder verloor, echt loslaten.’

‘Ik word in elk geval geen zaaddonor,’ zei hij lachend, waarna we allebei stiekem huilden’

Verlossend telefoontje

‘Zo moeilijk als zwanger worden was geweest, zo soepel was mijn zwangerschap. Ik voelde me beter dan ooit. Energiek, geen klachten. Ik was gelukkig. Toen Liz geboren was, bleek de liefde voor mijn kind zo anders en zo veel groter dan ik in al die jaren bij elkaar had kunnen fantaseren. Urenlang zat ik met haar op schoot, zonder maar één seconde aan iets anders te denken dan hoe lief ze was. Ik was dolgelukkig, maar voelde ook dat ons gezin nog niet compleet was. Het verlangen naar een tweede kind was minstens zo sterk als naar het eerste, wat ik absoluut niet had verwacht. Dus gingen we de medische molen weer in, en daarnaast stonden we ook al jaren ingeschreven voor een adoptiekindje. Waar vandaan maakte ons niets uit, het mocht best een kind zijn dat extra zorg nodig had. Toen ik klein was, droomde ik er al van om later een kindje een nieuwe toekomst te geven. Al snel was duidelijk dat mijn lijf nog meer medicatie en behandelingen niet aankon. Toen de partij waar onze buitenlandse adoptie liep ook nog failliet ging, vervloog al onze hoop op een tweede kind. Maar op een maandagavond 
zaten we aan tafel te eten, Liz in de kinderstoel, toen rond half zeven de telefoon ging. Het was iemand van de Raad voor de Kinderbescherming. Ze had vaker gebeld de laatste tijd, vanwege het faillissement van de partij waarmee we in zee waren gegaan voor buitenlandse adoptie, dus ik dacht er weinig van. Totdat ze die ene vraag stelde: ‘Zit je?’ Ze hadden een adoptievoorstel voor ons, een baby’tje van drie maanden uit Nederland. De biologische moeder had ons zelf uitgekozen, omdat ik in de kinderopvang werk en Robert een papadag had. We leken haar goede ouders. Ik voelde me ongelooflijk vereerd en begon te huilen. Liz keek me huilend aan. Het is alweer bijna een jaar geleden en nog zegt ze soms: ‘Weet je nog, mama? Toen ze belde en we een baby kregen via de telefoon?’

‘Het zwaarste was de hoop. Die kan je opbeuren, maar ook de grond in boren’

Liz en Jill schelen drie jaar. Ze zijn echt zusjes en doen het allebei geweldig. Robert is ooit bang geweest dat hij niet net zo veel van een geadopteerd kindje kon houden als van zijn eigen vlees en bloed. Nu lacht hij daarom en weet hij wel beter. Jill is ons kind. Ze is niet in mijn buik gegroeid, maar wel in ons hart. Haar komst maakte ons gezin compleet en ons geluk volmaakt. Ik sta er nog elke dag bij stil hoe bijzonder het is dat we nu met z’n vieren zijn. Hier hebben we tien jaar lang voor geknokt. Mensen verklaarden ons voor gek. Nog een ICSI-poging? Nog een operatie? Nog een jaar wachten op de adoptielijst? Het was zo veel onzekerheid, duurde eindeloos lang en het was zwaar. Maar we hebben het samen doorstaan. Elke dag dat ik onze meisjes ’s avonds in bed leg, voel ik weer hoe groots we beloond zijn.’

Dit artikel is afkomstig uit VIVA 3-2017. Abonnee worden of een losse editie van VIVA bestellen? Klik hieronder:

»Bestel VIVA online | Klik hier «