Roxane van Iperen: ‘Ik heb niet het idee dat je mensen vrolijker maakt door ze alleen maar luchtige dingen voor te schotelen’

roxane van iperen

Nu de Boekenweek is uitgesteld, zal het essay van Roxane van Iperen (44) pas van de zomer verschijnen. ‘Die ene keer dat ik een taakje heb gekregen, gaat er niks door vanwege corona…’

Je boek ’t Hooge Nest is een internationale bestseller die wordt verfilmd, je schreef het Boekenweekessay én doet de 4 mei-voordracht. Zijn die spotlights niet heel onhandig voor iemand die zichzelf mensenschuw noemt?

‘Ja, dat vond ik in het begin wel lastig, maar inmiddels gaat het beter. Vooral omdat ik me met mensen heb omringd die net als ik vinden dat je niet alles hoeft te doen wat van je gevraagd wordt. Dat gebeurt na een succesje namelijk al snel: iedereen wil dat je er vol induikt. Dat ik de 4 mei-voordracht mag doen, vind ik een enorme eer en verantwoordelijkheid. De Dodenherdenking is zo’n belangrijk, gezamenlijk moment in ons land. Ik hoop dat ik met mijn bijdrage die dag niet alleen de oudere generaties, maar ook jongeren erbij kan betrekken. Kijk naar de continue ophef die er is over delen van ons verleden die nooit goed verwerkt zijn. Kennis is alles, en door de geschiedenis te kennen, snap je vaak meer van de ogenschijnlijke chaos van je eigen leven. Maar ik hoef niet elke week op televisie. Dan drijf ik af van waar het me ooit om begonnen is: in mijn eentje schrijven, in de studeerkamer.’

Had je verwacht dat ’t Hooge nest – een boek over je eigen huis dat in de Tweede Wereldoorlog een onderduikvilla van twee Joodse zussen bleek te zijn geweest – zo’n succes zou worden?

‘Nee, nooit. Ik hoopte, bij wijze van spreken, dat ik ermee op de lokale braderie zou komen te staan en dat dan een paar mensen uit de omliggende dorpen die in het boek voorkomen langs zouden komen, omdat ze altijd langs het huis fietsten. De enige twee die er echt in geloofden, waren mijn uitgever en mijn redacteur. Die zeiden dat dit Nederlandse geschiedenis was, die vonden het bijzonder. Dat vond ik ook, anders had ik niet al die jaren onderzoek gedaan naar
de geschiedenis van het huis, maar ik heb tijdens het schrijven zelden iemand anders op veel enthousiasme kunnen betrappen. Niemand zei: joh, vertel verder. Ze vroegen zich vooral af waarom ik na mijn niet slecht ontvangen debuut in godsnaam een boek over de Tweede Wereldoorlog wilde maken. Dat vonden ze niet slim. Dus dit succes had ik totaal niet verwacht.’

Wat deed het met je?

‘Niet veel, want ik ben niet zo met de buitenwereld bezig. Wat me wel opviel, was dat mensen die me niet meer zagen staan nadat ik stopte in het bedrijfsleven, me ineens weer aanspraken. Ik droeg geen nette pakjes meer, wilde voet aan de grond krijgen in de journalistiek en dat heeft toch minder status. De mensen die dachten dat ze nooit meer iets van me zouden horen, dat ik een beetje uit mijn neus zat te vreten, zeiden nu ineens: goh, wat gaat het goed met jou, hè? Nou, niet beter dan twee jaar geleden, hoor. Toch gaat het grotendeels langs me heen, net als alle mensen die hier de hele tijd voor ons huis staan om foto’s te maken.’

Zowel in je debuut als in ’t Hooge nest en ook in je essay behandel je onderwerpen als oorlog en dictatuur. Heb je na rampjaar 2020 overwogen een iets luchtiger onderwerp voor dat essay te kiezen dan de genocide in Rwanda?

‘Het is een zwaar onderwerp, het gaat over leven en dood, en natuurlijk is het leven op dit moment voor iedereen zwaar, maar ik heb niet het idee dat je mensen heel veel vrolijker maakt door ze alleen maar luchtige dingen voor te schotelen. Het heeft daarnaast met voorkeur te maken, net als bij muziek of films. Je kunt mij bijvoorbeeld niks vervelenders aandoen dan me een avond verplicht romcoms te laten kijken.’

Je wordt niet cynisch van alle ellende die je voor je boeken bestudeert?

‘Daar heb ik geen aanleg voor – cynisme en ironie vind ik de meest zaaddodende middelen waarover we beschikking hebben, daar komt niets wezenlijks uit. Maar ik heb naast mijn donkere een lichte, bijna infantiele kant. Daar zit weinig tussenin. Als ik zo met de kinderen de hond uit ga laten, ben ik degene die voorop huppelt. Maar mijn vrienden klagen regelmatig dat ze me dodelijk vermoeiend vinden, omdat het nooit een keer over kleding of andere onzin kan gaan. Sorry, I just don’t care.’

Was je als kind ook al zo zwart-wit?

‘Nee, ik was vooral een buitenstaander. Ons gezin verhuisde veel en dat vond ik niet leuk, omdat ik steeds weer dat meisje was dat voor de klas haar naam moest vertellen. Ik was altijd de kwetsbaarste, overgeleverd aan de wolven. Dat wilde ik niet, ik wilde zo snel mogelijk onzichtbaar worden, opgenomen worden in de groep. Pas veel later zag ik in dat de kiem voor mijn latere werk, het bestuderen van dergelijke groepsprocessen, in die tijd is geplant.’

Was het een gelukkig jeugd?

‘Nee.’

Waarom niet?

‘Daar wil ik niet te veel op ingaan, maar laat ik zeggen dat alle basisingrediënten die een kind nodig heeft om gelukkig te zijn, afwezig waren. Het is niet zo dat ik op mijn vierde al een enorme zwartkijker was. Het lag niet aan mij.’

Tekst: Marcel Langedijk | Foto’s Roxane van Iperen: Rossi & Blake

Het hele interview met Roxane van Iperen lees je in VIVA-10-2021. Deze editie ligt vanaf 10 maart in de winkel of lees je hieronder verder via Blendle. 

» LEES VERDER VIA BLENDLE «

Sommige artikelen kun je maar gedeeltelijk lezen op viva.nl, omdat ze afkomstig zijn uit de papieren VIVA. Uit respect naar onze abonnees én om te zorgen dat wij online leuke gratis content kunnen blijven maken, linken wij je door naar Blendle om het hele artikel te lezen. Dit is een online platform waar je betaalt per artikel – in de meeste gevallen een paar dubbeltjes – en de journalistiek mee steunt. We hopen te kunnen rekenen op je begrip! 

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.