Doodse stilte #14: ‘Dit is het moment waar ik bijna een jaar op heb gewacht. Het moment dat ik de moordenaar van mijn kind in de ogen kan kijken’

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Ik blijf Fenna aankijken.
‘Jij bent het echt…’ Mijn stem klinkt bijna schor, maar ik hoor het niet. Ik kan niet geloven wat hier gebeurt.
Ik voel dat mijn vader me vanaf de overkant van de tafel vol verbazing aan zit te staren. Hij heeft door dat hier iets heftigs aan de hand is, iets menens… en hij onderbreekt me niet. Mijn vader kent me goed genoeg om te weten dat ik op sommige momenten ontzettend scherp ben, extreem geconcentreerd en één en al focus. Er is weinig wat me op zo’n moment uit mijn concentratie kan halen. Ik kan me voorstellen dat mijn vader de timing van mijn uitbarsting wat opmerkelijk vindt. Ik bedoel… Ik ga vol in de aanval tegen de stagiaire van de begrafenisondernemer. Dat moet raar overkomen.
Met mijn vuurspugende ogen en een gezicht waar pure haat op zichtbaar moet zijn blijf ik recht in de groene ogen van Fenna kijken. Haar donkerbruine, steile haren omlijsten haar bleek geworden gezicht.
Ik haal diep adem.
Dit is het moment waar ik bijna een jaar op heb gewacht. Het moment dat ik de moordenaar van mijn kind in de ogen kan kijken en haar dwing om te luisteren naar mijn verhaal. Om haar te kunnen vertellen hoe het voelt als je kind van je wordt weg gerukt. Als je ineens geen baby meer in je buik hebt, maar ook niet in je armen. Hoe het voelt als je weken van je leven mist, omdat je vergiftigd bent en in coma hebt gelegen. Hoe het voelt als je de pijn, de angst en het verdriet in de ogen van je man ziet. Hoe het voelt als je na weken ziekenhuis ineens je kinderen weer mag zien, maar zij bijna bang zijn om jou te zien, omdat ze je aan tientallen slangetjes en apparaten hebben zien liggen de laatste keer.
Bijna een jaar heb ik gewacht, moeten wachten, op het moment dat ik het haar recht in haar gezicht kan vertellen.
En nu het moment daar is kom ik niet uit mijn woorden.
Het klopt niet.
Het feit dat ze zich voordoet als ene Fenna klopt niet.
Het feit dat ze hier vriendelijk zit te doen aan tafel, terwijl mijn man net dood is klopt niet.
Hij hoort naast me te zitten. Hij hoort dit gesprek samen met mij te voeren.
Nachtenlang heb ik wakker gelegen. Weken, nee… maanden heb ik haar voor me gezien in mijn slaap. Het enige wat ik me nog goed herinner zijn haar krullen die dansend over de stoel in het vliegtuig gingen, maar welke nu veranderd zijn in donkerbruine steile lokken. Haar groene ogen… en haar ring… Ik kan ze dromen.
Ik hoef geen bevestiging meer. Haar reactie zojuist was meer dan duidelijk. Ze weet wat ze heeft gedaan. Ze weet dat ze mijn kind heeft vermoord. Ze weet ook dat ik haar door heb.
Terwijl ze verdomme nog geen twee minuten geleden haar hand troostend op mijn hand heeft gelegd, hopend dat ik haar niet zal herkennen.
‘Jij heet geen Fenna.’
Mijn stem is ijzig.
Kil.
Mijn intonatie is keihard.
Gabriëlla kijkt me verbaasd aan. Dat mens heeft niet eens in de gaten dat hier iets in de lucht hangt. Laat staan zoiets heftigs.
‘Sorry hoor, maar zij heet zeker Fenna.’ Haar irritante stem zorgt ervoor dat mijn nekharen nog verder overeind gaan staan.
Ik hoef alleen maar mijn hand op te steken om haar tot zwijgen te brengen. Althans, richting mij.
‘Ik heb een kopie van haar paspoort gezien. Ze heet gewoon Fenna hoor, natuurlijk heet ze Fenna,’ gaat Gabriëlla verder tegen mijn vader.
Maar mijn vader luistert niet. Mijn vader heeft zijn kin iets opgetrokken en kijkt me met een observerende blik aan. Hij moet zich ongetwijfeld realiseren dat hier iets aan de hand is wat zó heftig is, dat ik me niet kan inhouden. En toch probeer ik het.
Ik gun haar niet mijn emotie, mijn tranen. Ik voel een golf van afgunst door me heen gaan. Wat voel ik een intense haat voor deze vrouw. Ik word er bijna misselijk van. 
‘Esmeralda…’ Ik fluister haar naam, terwijl ik haar ogen blijf vasthouden. Ze kijkt me angstig aan en ze zit doodstil.
‘Ze heet FEN-NA.’ Gabriëlla haar stem onderbreekt weer mijn gedachten. ‘Luister Esmee, ik snap dat dit een heel ingewikkelde situatie voor je is en dat je een beetje in de war bent, maar dit is Fenna. Niet Esmeralda.’
Ik draai me met een ruk naar Gabriëlla om en sla keihard en onverwacht met mijn vuist op tafel. Een harde knal galmt door de woonkamer en ik zie iedereen achterover deinzen.
Mijn stem sist en heeft nog steeds een ijskoud randje als ik uit mijn slof schiet:
‘Ze heet geen Fenna. En… ze is de moordenaar van mijn kind.’
Ik zie de ogen van mijn vader drie keer zo groot worden. Hij leunt naar voren, zet twee handen op tafel en komt een beetje omhoog van zijn stoel terwijl hij me nog steeds observerend aankijkt.
‘Esmee. Hoor je wat je zegt?’
Ik kijk mijn vader aan en ben even stil. Ik zie mijn eigen weerspiegeling in zijn ogen. Ongeveer tien seconden zeg ik niks. Ik kijk mijn vader alleen maar bevestigend aan. Aan zijn gezicht zie ik dat de werkelijkheid langzaam tot hem doordringt en ik zie hem slikken.
Dan draait hij zich langzaam om naar Fenna. Esmeralda. Weet ik veel.
Hij gaat rechtop staan en torent hoog boven haar uit, deels doordat zij als een in elkaar gedoken vogeltje in de stoel zit, deels omdat mijn vader lang is en indrukwekkend groot wordt als hij boos is.
Ik zie hem diep adem halen en hij kijkt letterlijk op haar neer. Zijn lippen zijn één strakke lijn en zijn bovenste lip trilt. Het is bijna onzichtbaar voor de buitenwereld, maar voor mij als zijn dochter is het duidelijk dat hij niet gewoon kwaad is… Hij is woest zoals nooit tevoren.
‘Ben jij degene die mijn dochter die pil heeft gegeven?’ Zijn stem klinkt net als de mijne. Kil en afstandelijk.
‘Luister, ik wist het niet. Ik wist niet dat ze zwanger was. Echt niet. Dat zag ik pas later, bij de bagageband. Toen ze rechtop stond. Ik wist het écht niet!’
‘Geef verdomme antwoord op mijn vraag! Ben jij degene die mijn dochter die pil heeft gegeven?’ De stem van mijn vader buldert door de woonkamer. Zwaar en vol woede.
Fenna blijft muisstil. Ze zegt geen woord en kijkt niemand meer aan.
‘Ja.’ Fluistert ze dan.
Mijn vader, normaal gesproken de rust zelve, beweegt zich niet en ergens verwacht ik dat hij haar zo meteen zo’n ontzettende knal gaat verkopen dat ze met haar bleke smoel rechtstreeks op de houten vloer terecht komt.
Maar hij doet het niet.
Hij blijft haar vol ongeloof aankijken.
‘Ik bel de politie.’ Met deze woorden onderbreek ik de extreem zware stilte die in mijn eetkamer hangt.

—-

Het is midden in de nacht als ik gestommel hoor ik in de studeerkamer. Half slapend voel ik naast me om te kijken of Leon naast me ligt. Hij is er niet.
Nee toch?
Is hij nou weer bezig…
Zo goed en zo kwaad als het kan ga ik rechtop zitten. Ik wrijf met mijn handen door mijn ogen en kijk met een schuin oog naar de wekker. Halfdrie.
Werkelijk Leon. Dit moet afgelopen zijn.
Chagrijnig laat ik mijn voeten in mijn pantoffels glijden en ik trek met een ruk mijn badjas van het haakje naast de deur. Terwijl ik hem aandoe stoot ik bijna mijn teen tegen een kastje en ik vloek zachtjes. Dan schuifel ik de slaapkamer uit, de gang door en de trap op naar de zolder. Zodra ik de trap oploop zie ik de verlichting al tevoorschijn komen.
Zachtjes loop ik naar boven en duw de deur naar de studeerkamer open. Daar staat Leon. In joggingbroek en T-shirt, op blote voeten en zijn haren door de war. Zijn ogen gaan schichtig over de muur die hij vol heeft geplakt met foto’s, krantenartikelen, aantekeningen, een kaart van Europa waarop rondjes, strepen en vierkantjes gemaakt zijn en waar op diverse locaties kleine briefjes met aantekeningen hangen.
Ik zucht als ik zie dat zijn collectie nog verder is uitgebreid sinds vorige week.
‘Leon…’ Mijn stem klinkt zoals je verwacht dat hij klinkt van iemand die net wakker is.
Ik schraap mijn keel en kan een geeuw net onderdrukken.
‘Schatje. Dit kan niet. Kom, je moet naar bed…’
‘Maar ik ben er BIJNA. Bijna!’
Leon zijn ogen schieten van links naar rechts.
‘Kijk. Hier zijn we geland.’ Hij wist op een plek op de landkaart.
‘Alle bussen zijn ongeveer dezelfde richting opgegaan. Dus we moeten terug. De buschauffeurs opzoeken die die dag dienst hadden en vragen of ze haar hebben gezien.’
Zijn stem klinkt gehaast.
‘Lieverd. We zijn vier maanden verder sinds het ongeluk. Wat wil je zeggen tegen de buschauffeurs? ‘Heb je vier maanden geleden iemand met donkerbruine krullen gezien? Ze zien je aankomen. Leon, je doet nu het werk van de politie. Kom naar bed.’
Leon gooit met een stift die hij in zijn hand heeft tegen de muur en kijkt me boos aan.
‘De politie doet geen RUK Esmee. Niks. Nada. Noppes. Als we daarop gaan wachten dan zijn Jasper en Eva afgestudeerd tegen de tijd dat ze een dader hebben gevonden!’
Ik schrik van zijn felle reactie.
Zo ken ik Leon niet.
‘Hoe kan je hier zo nuchter onder zijn?’ Woedend kijkt hij me aan.
‘Zij heeft je die pil gegeven waar die rotzooi in zat! Zij heeft onze zoon vermoord. We moeten haar vinden.’
In het ziekenhuis hebben ze ons achteraf gevraagd of we het geslacht wilden weten van ons kindje. Het was een jongen.
Ik begrijp Leon wel. Zijn drang naar wraak is wellicht een logische reactie, maar hij gaat er veel te ver in. Natuurlijk wil ik ook weten wie dit op zijn geweten heeft. Of tenminste, ik wil haar in de ogen kijken en haar vertellen wat ze heeft aangericht, maar niet op deze manier. Alle vrije tijd van Leon wordt opgeslokt door de zoektocht naar haar en sinds een week of twee ook zijn nachtrust.
Dit kan niet goed zijn.
Ik leg mijn hand op zijn schouder en hij kijkt me aan. Ik zie weer de pijn in zijn ogen. Het verdriet. De onmacht… Voorzichtig trek ik hem tegen me aan en hij slaat zijn armen om me heen.
‘Sorry meis. Ik moet niet boos worden op jou.’
Mijn hoofd ligt tegen zijn borst aan en ik voel zijn hart tekeergaan. Ik schrik ervan, hef mijn hoofd iets op en kijk hem aan.
‘Komt wel goed schatje.’ Leon geeft me een zachte, lange kus op mijn voorhoofd.
‘Kom, we gaan naar bed.’
Ik knik en pak zijn hand om hem met me mee te nemen. Leon doet met zijn vrije hand de lamp uit en laat zich dan door mij meevoeren. Weg van het-meisje-met-de-krullen. Weg uit de pijn en uit het verdriet. We kruipen in bed en ik kruip tegen mijn man aan.
‘Vind jij dat ik ermee op moet houden?’ Hij fluistert de woorden in mijn oor.
‘Ja.’
Mijn antwoord is kort, maar krachtig.
Ik denk oprecht dat zijn zoektocht meer energie kost dan dat het ooit zal opleveren.
‘Wat moet ik dan doen?’
De kwetsbaarheid is duidelijk hoorbaar in zijn trillende stem.
‘Niet jij.’ Ik schud zachtjes mijn hoofd.
‘Wij.’
‘Wat moeten wij dan doen?’
Ik denk dat wij verder moeten gaan. Verder gaan zonder onze zoon. Verdergaan zonder zoektocht. Ik denk dat we haar ooit nog wel tegen komen en dan zullen we het weten. Dan vertellen we haar exact wat ze aangericht heeft met haar daad en laten we het los… Veranderen kunnen we het niet Leon. We krijgen ons kleine mannetje er nooit meer mee terug.’
Ik hoor dat Leon snikt.
‘Ik weet dat we hem nooit meer terugkrijgen. Maar ik weet niet of ik het kan accepteren dat ze ermee weg komt.’
‘Wie zegt dat ze ermee weg komt?’ Vraag ik hem.
‘Als wij haar niet vinden, dan komt ze er toch mee weg?’
‘De politie kan haar vinden.’ Ik geloof er nog steeds in dat ze haar vinden.
‘Ja hoor Es. Je hebt zelf gezien wat de politie gedaan heeft daar en hier in Nederland willen ze er niets mee doen, omdat alles dáár is gebeurd.’
Ik zucht. ‘Misschien heb je wel gelijk… Maar ik kan dit niet. Elke dag vlieg je na het eten naar de studeerkamer en ga je verder met je zoektocht. Je bent de hele avond boven. Elke dag opnieuw. Wanneer heb je voor het laatste Jasper en Eva een nachtkus gegeven?’
Het blijft even stil.
‘Het is verschrikkelijk dat ons een kindje afgenomen is. Maar we hebben er nog twee. Zij hebben hier ook niet om gevraagd en begrijpen er niks van. Eerst ligt mama weken in een ziekenhuis en wonen ze bij opa, dan komt hun broertje ineens niet meer uit mama’s buik en vervolgens zien ze papa helemaal niet meer, want die zit altijd boven.
Dit kan niet Leon. Echt niet. We zijn het aan hen verplicht om door te gaan.’
Leon zegt niks. Hij luistert en neemt mijn woorden in hem op.
Dan zucht hij weer.
‘Laten we maar gaan slapen.’ Hij heft zijn hoofd iets op en geeft me een kus op mijn haar. Ik knik en slik mijn tranen weg.
Luister asjeblieft naar me… Asjeblieft…

 

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels. Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

(1) Doodse stilte #1: ”Bent u Esmee de Zwart?’ vraagt de politieagent vriendelijk. Ik knik’
(2) Doodse stilte #2: ‘Alles om me heen lijkt in slow motion te gebeuren’
(3) Doodse stilte #3: ‘Ben ik nou gek of hoor ik een stem?’
(4) Doodse stilte #4: ‘Waarschijnlijk heeft ze aan mijn stem gehoord dat er echt iets aan de hand is’
(5) Doodse stilte #5: ‘Nee, u kunt niemand voor mij bellen. Ik moet gewoon weg’
(6) Doodse stilte#6: ‘Het voelt alsof ik toeschouwer ben van één of andere bizarre theatershow’
(7) Doodse stilte #7: ‘Ik wil het niet horen, maar het kan niet anders’
(8) Doodse stilte #8: ‘Dit is raar. Moet ik nou bedankt zeggen?’
(9)Doodse stilte #9: ‘Ik voel dat mijn handen ijskoud zijn en er gaat een rilling over mijn rug’
(10) Doodse stilte #10: ‘Wat doet het ertoe hoe laat ik gehoord heb dat mijn man dood is?’
(11) Doodse stilte #11: ‘Oh jeetje. Moet ik een kist uitzoeken? Nu?’
(12) Doodse stilte #12: ‘Ik wil er niet over nadenken, het is nu rustig. Laat me genieten…’
(13) ‘Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd. Waar ben ik?’

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.