Doodse stilte #19: ‘Wil ik dat al? Wil ik Leon vandaag zien? Wil ik hem überhaupt zien?’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Stipt om 9 uur gaat de bel van de voordeur. Wonder boven wonder heb ik het voor elkaar gekregen om Jasper en Eva zonder al te veel gezeur in hun kleren te krijgen. Ik merk aan mezelf dat er veel onrust in mijn lichaam zit. Ik negeer het idee dat Leon er niet meer is en probeer, zowel voor de kinderen als voor mezelf, te doen alsof er niets aan de hand is. Ik probeer de pijn zoveel mogelijk weg te drukken. Als ik er maar niet aan denk, dan is het niet gebeurd. Toch?
Eva rent vrolijk naar de voordeur, zoals ze zo vaak doet als de bel gaat.
‘Bel bel!’ Roept ze opgetogen.
‘Daar isse papa!’
Ik slik even en geef geen reactie.
Eva loopt naar de voordeur en gaat op haar tenen staan om met haar handjes bij deurklink te komen, maar ze is nog net te klein.
‘Mama open maken?’ Vraagt ze met een grote glimlach.
Ik doe de deur open en zie mijn vader staan met in zijn hand een plastic tas van de supermarkt.
‘Dag Lieverd.’ Zijn warme stem stelt me direct een klein beetje gerust. ‘Heb je een beetje geslapen?’
‘Jawel,’ antwoord ik zachtjes.
Mijn vader doet zijn jas uit en loopt vervolgens rechtstreeks naar de koelkast waar hij spullen uit de plastic tas in op begint te bergen.
Dan loopt hij naar me toe en geeft me een zachte kus op mijn wang. Zijn teken van liefde maakt dat mijn huid begint te tintelen en het gemis wordt eventjes heel erg versterkt.
Mijn vader kijkt me diep in mijn ogen.
‘En nu het echte antwoord?’ Vraagt hij vriendelijk.
Ik kijk terug en haal twijfelend mijn schouders op. ‘Het gaat wel pap.’
Hij legt een hand op mijn wang en zegt dan met zachte stem: ‘Heb je Vera gesproken vandaag? Ze maakte zich gisteravond zorgen toen ze je niet kon bereiken.’
‘Ik heb haar een berichtje gestuurd. Ik bel haar straks.’
Mijn vader knikt en tilt dan zijn kleindochter op die half aan zijn broek hangt en ‘opa opa opa opa’ mompelt.
Ik loop naar het koffiezetapparaat om een kopje koffie voor hem te zetten. Als de koffie loopt kijk ik naar Jasper die in het hoekje van de bank gedoken zit. De televisie staat aan, maar hij kijkt een andere kant op. Zijn gezicht is bleek en zijn ogen staan moe, waarschijnlijk van zijn nachtelijke avontuur. Zijn mondhoeken staan naar beneden en hij kijkt intens triest voor zich uit. Ik krijg een brok in mijn keel en voel de enorme drang om hem te beschermen tegen deze verschrikkelijke pijn die zo overheerst in ons huis.
Ik loop naar hem toe en sla mijn arm om zijn smalle schoudertjes. Vrijwel direct kruipt hij bij me op schoot, zonder iets te zeggen en slaat zijn armen om mijn nek. Zijn neus kriebelt tegen mijn oor, maar het maakt me niets uit.
‘Mama?’
‘Ja schat?’
‘Gaan we vandaag afscheid nemen van papa?’
Oh.
Oh god.
Ik voel een pijnlijke steen onderin mijn maag en slik eventjes om mijn tranen tegen te houden.
‘Nou, eh…’
Wil ik dat al? Wil ik Leon vandaag zien? Wil ik hem überhaupt zien? Moeten mijn kinderen hem zien? Of moeten ze hem onthouden zoals hij was? Die lieve, grote, stoere papa vol met positieve energie?
Jasper merkt mijn twijfel op en maakt zijn armen om mijn nek wat losser. Zijn hoofd komt naar voren en hij drukt zijn kleine neusje tegen mijn neus en drukt zijn voorhoofd tegen het mijne.
‘Ik wil papa echt heel graag zien, mama,’ fluistert hij.
Ik knal bijna uit elkaar van twijfel, onwetendheid en angst en ben als de dood om de verkeerde beslissing te maken, maar ik kan dit onmogelijk weigeren. Ik krijg kippenvel over mijn hele lichaam als ik diep in zijn blauwe ogen kijk. Er is maar één antwoord mogelijk.
‘Ja schat, vandaag gaan we naar papa,’ fluister ik terug.
Hij strijkt met zijn vingertje een traan weg die over mijn wang loopt en knippert een paar keer met zijn ogen. Dan knikt hij zachtjes.
‘Ik hou van jou, mama.’
Ik haal mijn neus op, leg mijn beide handen op zijn wangen en houdt hem stevig vast, terwijl ik hem doordringend aan blijf kijken.
‘En ik van jou jongen. Dat mag je nooit, nooit vergeten. Beloof je dat?’
Jasper knikt en ik trek hem weer in mijn armen voor een warme omhelzing.
Als ik opkijk zie ik dat mijn vader met tranen in zijn ogen naar ons staat te kijken.
‘Wil jij ook naar Leon of zal ik met Jasper gaan?’ vraagt hij zachtjes.
Mijn moedergevoel neemt het nog sterker over en zoals mijn vader gisteren letterlijk voor mij ging staan, ga ik nu gevoelsmatig voor mijn zoon staan. Er is no way in hell dat ik er op dit belangrijke en ongetwijfeld zwaar emotionele moment niet voor hem ga zijn. Los van mijn eigen emotie voel ik de natuurlijke drang dat ik dit voor Jasper moet doen. Ik heb geen keuze, ik laat hem dit absoluut niet zonder mij doen.
Ogenschijnlijk zelfverzekerd kijk ik mijn vader aan, terwijl de steen in mijn maag lijkt te groeien en ik eigenlijk verscheurd word door twijfel.
‘Ik ga mee,’ zeg ik.

‘Verdomme Esmee. Doe nou niet zo godsgruwelijk moeilijk! Wat is je probleem?’
Met grote ogen kijk ik Leon aan. Wat doet hij nou?
Ik kijk om me heen om te kijken of iemand ons gehoord heeft en ik zie een wat ouder stel verbaasd en afkeurend naar Leon kijken en dan vol medelijden naar mij.
‘Leon.’ Sis ik. ‘Doe eens rustig.’
‘Ik ben er klaar mee Esmee. Je kan toch gewoon kiezen! Het gaat hier maar over schoenen! Zwart, rood, blauw, groen, paars, wat maakt het uit? Eva heeft écht geen benul hoor.’
Hij praat hard en duidelijk, hij schreeuwt nog net niet en Eva kijkt hem vanaf de grond aan alsof hij gek is geworden. Om haar heen liggen drie dozen met nieuwe schoenen en aan haar rechtervoet zit een gloednieuw, knalblauw laarsje met een hartje van roze glitters.
‘Zo, hier is de andere!’
De blonde verkoopster komt met een stralende glimlach bij ons staan en is getuige van de immense spanning die op dat moment tussen mij en Leon heerst. Leon kijkt alsof hij binnen enkele seconden regelrecht de schoenenwinkel uit wil rennen. De woede is van zijn gezicht af te lezen.
Ik buig me naar Eva.
‘Ga jij even het andere laarsje passen schat? Die mevrouw helpt jou wel even. Ik ben zo terug.’
Ik kijk naar de verkoopster en godzijdank begrijpt ze mijn hulpeloze blik meteen. ‘Kom maar, dan gaan wij even passen,’ zegt ze vriendelijk, terwijl ze door haar knieën gaat bij Eva.
Ik sta op, loop drie stappen richting Leon en grijp zijn bovenarm vast.
‘Meekomen.’ Sis ik terug.
Leon, die hoogstwaarschijnlijk verbaasd is om mijn reactie, laat zich meevoeren naar een hoek van de winkel.
‘Ga je nou normaal doen? Want anders donder je maar mooi op hier. Dan ga je je thuis maar weer verstoppen en verder met je eindeloze onderzoek naar die griet. Maar op deze manier ga je niet met mij om. Is dat duidelijk?’ Mijn ogen spuwen vuur en de intonatie van mijn stem is rustig en zachtjes, maar tegelijkertijd duidelijk en bijna dreigend.
Wat dénkt hij wel niet zeg.
Leon kijkt me aan alsof ik zojuist uit een luchtballon ben gestapt en een dansje heb gedaan.
‘Esmee, het zijn schoenen… schoenen! Wat is daar nou belangrijk aan?’
‘Voor jou is het misschien niet belangrijk, ik vind het wél belangrijk dat onze kinderen op goede schoenen lopen. En ik vind het ook belangrijk dat ze er een beetje leuk uit zien. En natuurlijk zijn er belangrijkere dingen op de wereld, maar niet alles op de wereld hoeft altijd extreem belangrijk te zijn!’
Hoewel Leon ruim een kop groter is dan ik én ongeveer twee keer zo breed voel ik me geen seconde bedreigd of ongemakkelijk. Als hij een scéne midden in de winkel wil schoppen, nou… dan kan hij het krijgen ook.
Leon zegt niets, hij kijkt me alleen boos aan. Als een peuter die zijn zin niet krijgt, waardoor mijn woede nog meer aangewakkerd wordt.
‘Je kan nu kiezen. Of je gaat normaal doen… of je gaat maar even een rondje lopen om rustig te worden en na te denken. Voor mijn part loop je vierhonderd rondjes. Maar je flikt het niet om mij zo aan te spreken en al helemaal niet in het openbaar.’
Ik draai me pontificaal om en loop terug naar onze dochter.
Nog natrillend kniel ik bij haar neer, de verkoopster ritst net haar laarsje dicht.
‘Mooi mama!’ Zegt Eva met een stralende blik.
De verkoopster friemelt een vinger bij Eva achterin haar schoen en voelt met haar handen aan de zijkant. ‘Ik denk dat ze met een inlegzooltje erin perfect zitten, haar voeten komen dan net wat hoger te staan. Zal ik even een paar ophalen?’ Ze kijkt me twijfelend aan.
Snel laat ik mijn blik afglijden naar Leon. Hij staat daar nog verdwaasd voor zich uit te kijken en vangt mijn blik niet op.
‘Ja, graag,’ antwoord ik de verkoopster.
Dan zie ik dat Leon weer naar ons toe loopt. Ik voel een ijzige kilte van hem afkomen en probeer oogcontact met hem te krijgen, maar hij ontwijkt mijn blik.
De verkoopster maakt zich snel uit de voeten en vliegt zowat het magazijn in.
Hij gaat zitten op een bankje achter ons, pakt zijn telefoon uit zijn broekzak en begint druk te typen.
Ik zeg niets, van binnen vreet ik me op.
‘Mamaaaaaa. Eva moooooooi!’ Zegt onze dochter, terwijl ze probeert te springen op de blauwe laarsjes.
‘Heel mooi schat.’ Ik krijg er een geforceerde glimlach uit.
De verkoopster komt terug met een zakje waarin twee inlegzooltjes zitten. ‘Deze gaan we even in je schoen doen,’ zegt ze vriendelijk tegen Eva.
‘Nee, niette schoen uit!’ Roept Eva en ze doet een stap achteruit.
‘Je mag ze zo weer aan hoor, we maken ze alleen nog net eventjes wat mooier!’ Probeer ik.
‘Nee. Eva niet schoen uit,’ haar gezichtje is nukkig en als de sfeer niet zo gespannen had ik waarschijnlijk gelachen om haar eigen peuterwilletje.
Dan zie ik dat ze richting Leon kijkt. Ik volg haar blik en zie dat hij is opgestaan en in hoog tempo de winkel uit draaft.
Ik voel de frustratie enorm worden en ben er helemaal klaar mee.
De verkoopster kijkt me met een blik vol medelijden aan.
‘We nemen ze. En de inlegzooltjes ook. Ze mag ze aanhouden,’ zeg ik snel.
Ik voel me zo ongemakkelijk. Ik wil gewoon weg hier.
Ik pak de oude schoentjes van Eva en druk ze in mijn tas. Dan lopen we naar de kassa, waar de verkoopster me nog een spuitbus probeert aan te smeren om de schoenen te onderhouden. Om er maar vanaf te zijn zeg ik: ‘Ja, doe maar.’
Ik reken af, prop de inlegzooltjes er nog in mijn tas bij en grijp Eva’s handje.
‘Kom maar,’ zeg ik. ‘We gaan naar huis geloof ik.’

Een uur later heb ik, onder het strenge, toeziend oog van mijn vader, een cracker met kaas naar binnen gewerkt. Mijn vader heeft Gabriëlla gebeld of ze vanmiddag kan komen in plaats van vanochtend en dat was geen probleem.
Dus.
We gaan naar Leon.
Terwijl mijn vader de veters van Jasper strikt, rits ik de blauwe laarsjes van Eva dicht. Er gaat een rilling over mijn rug.
We gaan zo Leon zien.
Oh god.
Hoe zal hij eruitzien? Zal het zichtbaar zijn dat hij een ongeluk heeft gehad?
Zal hij er nog wel uitzien als Leon?
Door die gedachte word ik overvallen door een vlaag van misselijkheid en ik vlucht naar het toilet, waar ik de cracker met kaas en de koffie er meteen weer uit spuug.
‘Mama ziek?’ Hoor ik Eva vanuit de gang aan mijn vader vragen.
‘Niks aan de hand schat. Mama is een beetje gespannen,’ hoor ik hem antwoorden.
In het wasbakje was ik mijn handen en ik breng wat water naar mijn mond om de vieze smaak weg te spoelen. Als ik opkijk, kijk ik in de spiegel.
Mijn hemel. Ik lijk wel een ontplofte poedel!
Ik heb na het bad gisteren mijn haar niet geborsteld en niet in een staart gedaan, dus ik heb een gigantische bos pluizige krullen op mijn hoofd. Ik zoek op de automatische piloot naar een elastiekje wat ik standaard om mijn pols heb en probeer mijn haar nog iets in te dimmen door er een soort van knot in te draaien.
Mijn ogen staan dof en lijken leeg. ‘De passie is eruit.’ Zou mijn moeder zeggen. Mijn huid is bleek en onder mijn ogen zijn de wallen nog steeds goed zichtbaar.
Het maakt me niets uit.
Ik loop de gang weer op en zie de bezorgde blik van mijn vader.
‘Weet je zeker dat je mee wilt?’ Vraagt hij vriendelijk.
‘Ik weet het zeker pap.’
Mijn vader heeft me tijdens de koffie uitgelegd dat hij met Gabriëlla besproken heeft dat Leon naar een zogenaamde familiekamer is gebracht. Een kamer bij het uitvaartcentrum, waar ik de sleutel van krijg en waar ik dag en nacht terecht kan, althans… tot aan de uitvaart.
Ik probeer me een voorstelling te maken van zo’n kamer, maar heb er niet echt een beeld bij. Zou het een kamer zijn met witte muren? Waar Leon in een witte kist ligt? Mooi als altijd, met zijn donkere haren in de plooi en zijn handen over elkaar gevouwen, zoals dat hoort?
Ik weet het niet, maar ik ga er zo achter komen…

Vanuit een hoekje in de gang staat Jasper naar me te kijken.
‘Gaat het mama?’ Fluistert hij zachtjes. ‘Voel je je niet lekker?’
Ach de schat.
‘Ja, het gaat wel.’ Ik ga door mijn hurken en kijk hem aan.
‘Lieverd, we gaan nu naar papa, maar je kan niet met hem praten. Weet je nog dat ik je dat verteld heb?’
Jasper knikt.
‘En papa ziet er misschien een beetje anders uit. Dat kan ook. Maar mama gaat eerst wel even naar binnen, dan kunnen jullie daarna mee. Goed?’
Ik wil ze kunnen voorbereiden als Leon bijvoorbeeld een schaafwond in zijn gezicht heeft of iets anders. Ik moet hem eerst zelf zien, voordat ik definitief besluit of de kinderen hem mogen zien.
‘Jullie mogen dan even bij opa wachten, totdat ik terug ben.’
Jasper knikt weer. Hij zegt niks, hij kijkt me alleen maar aan en ik kijk terug.
‘Gaan we dan nu naar papa?’
Vraagt hij zachtjes.
Ik pak zijn hand en knijp er eventjes in.
‘Ja, nu gaan we naar papa.’

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels. Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

(1) Doodse stilte #1: ”Bent u Esmee de Zwart?’ vraagt de politieagent vriendelijk. Ik knik’
(2) Doodse stilte #2: ‘Alles om me heen lijkt in slow motion te gebeuren’
(3) Doodse stilte #3: ‘Ben ik nou gek of hoor ik een stem?’
(4) Doodse stilte #4: ‘Waarschijnlijk heeft ze aan mijn stem gehoord dat er echt iets aan de hand is’
(5) Doodse stilte #5: ‘Nee, u kunt niemand voor mij bellen. Ik moet gewoon weg’
(6) Doodse stilte#6: ‘Het voelt alsof ik toeschouwer ben van één of andere bizarre theatershow’
(7) Doodse stilte #7: ‘Ik wil het niet horen, maar het kan niet anders’
(8) Doodse stilte #8: ‘Dit is raar. Moet ik nou bedankt zeggen?’
(9)Doodse stilte #9: ‘Ik voel dat mijn handen ijskoud zijn en er gaat een rilling over mijn rug’
(10) Doodse stilte #10: ‘Wat doet het ertoe hoe laat ik gehoord heb dat mijn man dood is?’
(11) Doodse stilte #11: ‘Oh jeetje. Moet ik een kist uitzoeken? Nu?’
(12) Doodse stilte #12: ‘Ik wil er niet over nadenken, het is nu rustig. Laat me genieten…’
(13) Doodse stilte #13: ‘Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd. Waar ben ik?’
(14) Doodse stilte #14: ‘Dit is het moment waar ik bijna een jaar op heb gewacht. Het moment dat ik de moordenaar van mijn kind in de ogen kan kijken’
(15) Doodse stilte #15: ‘Esmee, asjeblieft. Laat het me uitleggen’
(16) Doodse stilte #16: ‘Ssst…,’ sist ze hem toe. ‘Houd je kop.’ Haar stem is ineens akelig kil’
(17) Doodse stilte #17: ‘Ik word wakker van een harde bons en ik zit meteen rechtop in bed. Wat is dat?
(18) Doodse stilte #18: ‘Hij leeft pap. Hij heeft me gebeld!’

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.