Doodse stilte #20: ‘Ik dwing mezelf om naar rechts te kijken. Daar ligt hij. Het is hem echt’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

De zon prikt in mijn ogen als ik de auto uit stap. Het weer is zacht voor de tijd van het jaar en ik haal diep adem, inhaleer de frisse lucht tot ver in mijn longen en kijk om me heen.
Voor me prijkt een groot, wit gebouw. Een ouderwets gebouw. Klassiek en met karakter door de witte muren en de zwarte details. Ik zie vier grote ramen, maar ik kan niet naar binnen kijken. Ze zijn geblindeerd. In het midden van de ramen is een grote, ouderwetse houten deur geplaatst. Aan weerszijden van het gebouw zijn parkeerplaatsen en er staan vier auto’s geparkeerd. Ik haal diep adem en draai me om. Jasper klimt net uit de auto en mijn vader haalt Eva uit haar kinderzitje.
Dan komt hij naast me staan en pakt zonder te kijken voorzichtig mijn hand en knijpt er zachtjes in.
‘We zijn er.’ Zegt hij zachtjes, terwijl we beiden naar het indrukwekkende gebouw kijken. Jasper komt aan de andere kant naast me staan en pakt ook mijn hand. Hij zegt niets, eventjes staan we gewoon zo te kijken.
‘Ik bel Gabriëlla even. Zij komt met de sleutel.’
Ik knik, maar zeg niets. Ik voel amper nog een emotie en de emoties die ik wél voel probeer ik meteen weer weg te drukken. Daar word ik aardig goed in, al zeg ik het zelf.
Ik zie dat mijn vader zijn telefoon pakt en ik kijk naar mijn kinderen, die beide hun ogen op het uitvaartcentrum gericht hebben. Ze zeggen niets, ze zijn niet vervelend. Ze kijken gewoon. Alsof ze aanvoelen dat dit even niet het moment is.
Ik hoor mijn vader aan de telefoon zeggen dat we er zijn en ik realiseer me dat Leon hier binnen is. Hij is hier. Mijn Leon.
Kippenvel kruipt langzaam over mijn handen, over mijn armen en schouders en kruipt over mijn wangen naar boven.
Hij is hier echt.
Ik haal diep adem als ik mijn vader aankijk. Hij heeft inmiddels opgehangen.
‘Ze komt eraan, ze is al binnen,’ zegt hij zacht.
Ik knik en proef een nare smaak in mijn mond. Ik klem mijn kaken verder op elkaar en houd Jasper zijn handje goed vast.
‘Goed schat, mama gaat zo eerst naar binnen. Dat wist je, toch?’
Jasper knikt.
‘Moet ik niet met je meegaan?’ Vraagt mijn vader lief.
Ik schud mijn hoofd.
‘Iemand moet bij de kinderen blijven,’ zeg ik zachtjes.
‘Wil je dat ik eerst ga, zodat ik even kan kijken?’ Vraagt hij.
Ik voel de ontzettende drang dat ik als eerste moet gaan. Ik moet als eerste naar binnen. Niemand anders. Leon hoort bij mij, ik hoor bij hem en ik moet dit doen. Het voelt alsof ik het aan Leon verplicht ben.
Ik schud weer mijn hoofd.
‘Pap, ik moet dit zelf doen.’
Hij kijkt me aan met tranen in zijn ogen. Zijn gezicht is duidelijk bezorgd, bang en vol pijn omdat zijn dochter op het punt staat om één van de meest verschrikkelijke dingen in haar leven te gaan doen.

Dan gaat de grote, houten deur langzaam open en het gezicht van Gabriëlla komt langzaam tevoorschijn. Ze ziet er minder degelijk en niet zo overdreven opgemaakt uit als gisteren en voorzichtig komt ze naar me toe.
‘Esmee.’ Ze geeft me een hand.
‘Jesse.’ Ze geeft mijn vader een hand.
‘Zijn jullie klaar om naar binnen te gaan?’
Klaar? Ik weet niet of ik er klaar voor ben, maar ik ga dit wel doen. Ik moet dit doen.
Ik knik en volg haar door de grote deur naar binnen, mijn vader en kinderen blijven buiten achter. Ik durf niet om te kijken, ik ben bang dat de twijfel het dan gaat winnen van mijn doorzettingsvermogen.
Samen met Gabriëlla kom ik in een klein halletje met warme, donkergroene muren. Op de grond liggen donkergrijze plavuizen en in het halletje is een klein aanrechtje geplaatst, waar een koffiezetapparaat op staat met kopjes en dergelijke.
Vanuit het halletje zijn er drie witte, hoge deuren. Één naar links, één rechtdoor en één naar rechts. Alle drie de deuren zijn voorzien van een sleutelgat.
‘Oké Esmee. Ik geef je een sleutel. Deze mag je gebruiken tot aan de uitvaart. Je kan zo vaak naar Leon toe als je maar wilt, dag en nacht.’
Ze geeft me een sleutel met een grote, zilverkleurige sleutelhanger eraan. Zo één die je in hotels weleens krijgt. ‘Familiekamer 1’ staat er met mooie, sierlijke letters in gegraveerd.
Dan kijkt ze me weer aan. Leon ligt in de kamer links van je. Als je zo meteen binnen komt, dan zie je hem niet meteen liggen. Je ziet eerst een tafel en wat andere spullen. Een Cd-speler, als je muziek op wilt zetten, wat kaarsen die je uiteraard aan mag steken en water, wat ik net voor je ververst heb. Dan hangt er rechts van je een gordijn. Daar ligt Leon achter. Er is een koelinstallatie aanwezig, om zijn lichaam koel te houden. Dit geeft een beetje een zoemend geluid. Op het moment dat je de kamer betreedt zal de installatie uit gaan en verdwijnt het geluid. Op het moment dat je weg gaat, gaat de koelinstallatie weer aan en komt het zoemende geluid terug.’
Ik kijk haar aan. Ik had zoveel informatie niet verwacht.
‘Blijf zolang als je wilt, neem je tijd. Als je weg gaat, wil je dan de kaarsen weer uit doen? Voor de veiligheid.’
‘Oké.’
‘Goed, dan zal ik je met rust laten. Pak gerust koffie of thee. In de andere familiekamer ligt momenteel niemand, maar dat kan veranderen. Houd er daarom rekening mee dat je hier in het halletje en buiten andere mensen tegen kunt komen.’
Ik knik weer.
Ze legt een hand op mijn schouder en kijkt me aan met de warme blik die ik gisteren enkel aan het einde van de dag eventjes heb gezien.
‘Sterkte Esmee.’
‘Dankjewel,’ fluister ik.
Ze verlaat de kamer door de deur die recht voor mijn neus is en laat me achter met de sleutel in mijn bibberende hand.
Ik draai me om naar de linker deur en houd de sleutel even voor het sleutelgat, voordat ik hem erin steek. Trillend draai ik de sleutel om en heel voorzichtig doe ik de deur een paar centimeter om, maar ik kijk niet naar binnen. Ik hoor dat het zoemende geluid inderdaad verdwijnt en plaats maakt voor een intense stilte.
Eventjes blijf ik zo staan, met de sleutel in mijn hand en de deur op een kier. Mijn ademhaling versnelt en mijn hart bonkt bovenin mijn keel. Dan duw ik, vanaf een afstandje, de deur wat verder open en ik kijk recht voor me uit.
De kamer is warm, met lavendelkleurige muren en een houten vloer. Ik kijk tegen een houten, ronde tafel aan met vier stoelen. Op de tafel staat een zilverkleurig dienblad met een grote karaf gevuld met water en er staan vier glazen opgestapeld naast. Er ligt ook een schrijfblok op de tafel met twee pennen.
Oké. Dit lukt nog.
Mijn lichaam maakt ruzie tussen de weerstand en de volharding in mijn hoofd en heel langzaam zet ik een klein stapje naar voren. Ik kijk naar rechts en zie een antracietkleurig gordijn hangen. Donker, maar deels doorzichtig. Door het gordijn zie ik het voeteneinde van een beukenkleurige kist. Geschrokken door het feit dat ik de kist al zie, doe ik snel weer een stapje achteruit. De adrenaline raast door mijn lichaam en ik haal een paar keer diep adem door mijn neus en ik adem langzaam en trillend uit via mijn mond.
Oh god.
De kist.
Ik neem even een minuutje de tijd om mijn hartslag naar beneden te krijgen en doe dan voorzichtig weer een stapje naar binnen. De temperatuur in de kamer is aangenaam. Ik negeer het gordijn nog eventjes. Ik wil er nog niet naar kijken. Ik kijk naar rechts en zie tegen de muur een klein dressoir staan, waar een aantal kaarsen op staan en een kleine cd-speler, met wat CD’s ernaast. Naast de cd-speler liggen twee lege fotolijsten plat op het dressoir. Ze hebben dezelfde zilveren kleur als het dienblad. Boven het dressoir hangt een groot schilderij van een bloemenveld, vol met wilde bloemen. Een prachtige foto. Ik blijf er even naar kijken en ik maak mezelf wijs dat ik naar de foto kijk omdat deze zo mooi is. De waarheid is dat ik niet durf te kijken naar het gordijn.
Langzaam zet ik nog een stapje verder en ik sluit de deur zachtjes achter me. Ik grijp de bovenkant van de rugleuning van de dichtstbijzijnde stoel en sluit mijn ogen even.
‘Je kan dit Esmee. Je kan dit.’
Als in een film hef ik mijn hoofd, ik haal diep adem en open dan langzaam mijn ogen. Ik draai mijn hoofd iets bij en zie vanuit mijn ooghoek het silhouet van de kist achter het gordijn. Het gordijn is tot aan het voeteneinde gesloten, daarnaast is er ruimte om langs te lopen. Ik dwing mezelf om door het gordijn te kijken naar het deel van de kist waar zijn gezicht moet liggen en ik zie een silhouet van zijn gezicht. Paniek overmand me bijna, maar ik kan het wegslikken.
Oké.
Dit kan ik.
Ik richt mijn blik op het voeteneinde van de kist en stapje voor stapje schuif ik naar de opening in het gordijn. Ik houd mijn gezicht angstvallig gericht op het uiteinde van de kist en voor de zekerheid blokkeer ik mijn zicht, door één hand rechts naast mijn gezicht te houden. Ik wil hem pas zien als ik zelf besluit dat ik daar klaar voor ben.
Voetje voor voetje schuifel ik naar het gordijn toe. Volgens mij duurt het wel een half uur voordat ik bij het gordijn ben, zo klein zijn mijn stapjes en af en toe stop ik even om bewust adem te halen en om mijn hartslag naar beneden te krijgen.
En dan sta ik aan het voeteneinde, maar nog steeds kijk ik niet op. Ik weet dat ik alleen mijn hoofd maar naar rechts hoef te draaien om hem te zien. Hij is binnen handbereik. Mijn Leon.
Ontzettend langzaam draai ik mijn hoofd naar rechts. Doodsbang voor datgene wat ik zo meteen te zien krijg, maar de ogen van Jasper gaan door mijn gedachten. ‘Gaan we dan nu naar papa?’ Hoor ik in mijn achterhoofd.
Ik moet dit doen.
Ik dwing mezelf om naar rechts te kijken.
Daar ligt hij.
Leon.
Mijn god.
Het is hem echt.
Doodstil.
Geen enkele beweging.
De kist is halfgesloten. Alleen het onderste deel van de kist is dicht, zodat zijn benen bedekt zijn. Vanaf zijn middel is zijn zwarte overhemd zichtbaar. Het zwarte overhemd wat hij droeg toen hij gisterochtend het huis verliet en wat ik eergisteravond nog snel voor hem gestreken had.
Zijn handen liggen over elkaar op zijn buik. Niet in elkaar gevouwen, maar bovenop elkaar. Op zijn bovenste rand prijkt onze gouden trouwring.
Op zijn hals zitten wat blauwe plekken, maar zijn gezicht lijkt afgeschermd te zijn geweest van het noodlottige ongeval. Zijn gezicht is lijkbleek, zijn lippen zitten op elkaar en zijn ogen zijn gesloten. Zijn donkere haar zit netjes in model, maar niet zoals hij het altijd droeg.
Ik merk dat ik mijn adem in houd als ik kijk naar mijn man die hier in de kist ligt.
Dood.
Geen enkele beweging.
De warmte die hij altijd uitstraalde is verdwenen, maar de uiterlijke kenmerken zijn duidelijk aanwezig. Zijn duidelijke kaaklijn, zijn lange wimpers, zijn volle wenkbrauwen. Het is Leon, maar het is hem ook niet.
Langzaam zet ik nog wat stapjes, zodat ik uiteindelijk naast hem sta. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden. Hij ziet er zo ontzettend uit als Leon en toch ook zo ontzettend niet.
Ik wil zijn hand vastpakken, maar ik durf het niet. Ik heb nog nooit iemand aangeraakt die overleden is. Nog nooit.
Hij zal koud zijn, maar zal hij ook stijf zijn? En hoe koud? Koelkast koud of diepvries koud?
Zal zijn huid nog mee bewegen of zal dit ook stijf zijn?
Heel langzaam beweeg ik mijn hand richting de zijne, totdat mijn hand boven de kist hangt. Dan zie ik dat mijn hand zo aan het trillen is als nooit tevoren en ik word me bewust van het feit dat mijn hele lichaam trilt. Een vlaag van misselijkheid overvalt me en ik doe een grote stap naar achteren, waarbij ik tegen een soort kleine pilaar aan stoot. Zo één waar bloemen op gelegd kunnen worden, maar die er nu nog niet staan.
Ik schrik en vlucht langs het gordijn terug naar de tafel. Ik grijp de tafel vast en laat me op een stoel zakken, waar ik mijn tranen laat lopen. Alle opgekropte spanning komt eruit en ik huil tranen met tuiten.
Het is hem echt.
Godver!
Het is Leon.
MIJN Leon.
Ik zit ongeveer tien minuten aan de tafel als de tranen minder worden. Ik grijp een doos tissues die ik achter de karaf water zag staan en snuit luidkeels mijn neus.
Op de een of andere manier merk ik dat ik langzaam aan de omgeving wen en rustiger word. Ik wil hem aanraken.
Langzaam sta ik weer op en loop terug naar Leon. Nog steeds langzaam, maar niet meer zo langzaam als zonet.
Als ik weer naast hem sta til mijn hand weer boven de zijne en langzaam raak ik de bovenkant van zijn hand met één wijsvinger aan. Hij voelt koud aan, maar zijn huid is wel soepel en beweegt mee.
Oké. Dit kan ik wel.
Ik raap alle laatste beetjes moed die ik nog kan vinden bij elkaar en leg dan mijn hand op de zijne. Mijn trouwring valt precies op die van hem.
Ik heb zijn hand vast.
Wat is hij koud!
Ik heb zijn hand vast.
Oh jezus. Ik heb zijn hand vast.
Ik geef mezelf even de tijd om aan deze gedachte te wennen en blijf eventjes zo staan, terwijl ik naar zijn gezicht blijf kijken. In zijn haargrens zie ik een klein sneetje, die volgens mij netjes gelijmd is.

Och lieverd… Mijn Leon.
Ik wil zijn gezicht aanraken, maar mijn moed is op. Mijn energie is op en mijn angst is te groot. Ik durf het niet.
Ik sluit mijn ogen en til langzaam mijn hand weer op en leg deze op mijn buik.
‘Dag lieverd,’ zeg ik zachtjes.
Ik doe een stap achteruit, wederom trillend en ontwijk de kleine pilaar.
Ik wil hier weg. Het is genoeg geweest.
Maar ik moet nog…
De kinderen.
Och jezus.
De kinderen moeten nog….

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels. Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

(1) Doodse stilte #1: ”Bent u Esmee de Zwart?’ vraagt de politieagent vriendelijk. Ik knik’
(2) Doodse stilte #2: ‘Alles om me heen lijkt in slow motion te gebeuren’
(3) Doodse stilte #3: ‘Ben ik nou gek of hoor ik een stem?’
(4) Doodse stilte #4: ‘Waarschijnlijk heeft ze aan mijn stem gehoord dat er echt iets aan de hand is’
(5) Doodse stilte #5: ‘Nee, u kunt niemand voor mij bellen. Ik moet gewoon weg’
(6) Doodse stilte#6: ‘Het voelt alsof ik toeschouwer ben van één of andere bizarre theatershow’
(7) Doodse stilte #7: ‘Ik wil het niet horen, maar het kan niet anders’
(8) Doodse stilte #8: ‘Dit is raar. Moet ik nou bedankt zeggen?’
(9)Doodse stilte #9: ‘Ik voel dat mijn handen ijskoud zijn en er gaat een rilling over mijn rug’
(10) Doodse stilte #10: ‘Wat doet het ertoe hoe laat ik gehoord heb dat mijn man dood is?’
(11) Doodse stilte #11: ‘Oh jeetje. Moet ik een kist uitzoeken? Nu?’
(12) Doodse stilte #12: ‘Ik wil er niet over nadenken, het is nu rustig. Laat me genieten…’
(13) Doodse stilte #13: ‘Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd. Waar ben ik?’
(14) Doodse stilte #14: ‘Dit is het moment waar ik bijna een jaar op heb gewacht. Het moment dat ik de moordenaar van mijn kind in de ogen kan kijken’
(15) Doodse stilte #15: ‘Esmee, asjeblieft. Laat het me uitleggen’
(16) Doodse stilte #16: ‘Ssst…,’ sist ze hem toe. ‘Houd je kop.’ Haar stem is ineens akelig kil’
(17) Doodse stilte #17: ‘Ik word wakker van een harde bons en ik zit meteen rechtop in bed. Wat is dat?
(18) Doodse stilte #18: ‘Hij leeft pap. Hij heeft me gebeld!’
(19) Doodse stilte #19: ‘Wil ik dat al? Wil ik Leon vandaag zien? Wil ik hem überhaupt zien?’

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.