Doodse stilte 22: ‘Ik ben eventjes stil. Overdonderd. Ik had veel verwacht, maar dit?’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Ik haal diep adem. Daar gaan we.
Zachtjes open ik de deur. Het harde gezoem van de koelinstallatie neemt direct af, om vervolgens volledig stil te vallen.
Jasper volgt de deur met zijn grote ogen. Zijn mond staat een stukje open. Hij vindt het zichtbaar spannend. Eva pulkt met grote concentratie aan een minuscuul pluisje wat op haar rechterarm zit. Met twee vingers probeert ze het pluisje te pakken te krijgen. Dan kijkt ze om het hoekje van de kamer.
‘Papa?’ vraagt ze met een grote glimlach.
Ik knik. Zal haar glimlach er nog zijn als ze Leon gezien heeft?
Voordat ik haar kan tegenhouden, doet ze een stap naar voren en duwt met veel enthousiasme de deur open.
‘Hallo papa!’ roept ze vrolijk.
Ik houd even mijn adem in als ze naar binnen loopt. Jasper blijft stokstijf bij de deur staan. Hij verroert zich niet en kijkt naar zijn zusje die, zonder twijfel, de kamer binnen walst. Vrolijk en één bonk energie. In één streep loopt ze om het gordijn heen, regelrecht naar de kist.
Hoe weet ze nou waar ze heen moet?
Ik snel me achter haar aan, ik kan haar toch moeilijk alleen laten gaan, en probeer de kille sfeer die, ondanks de warme inrichting, in de kamer hangt te negeren. Ik kijk bewust niet naar Leon, ik ben alleen gefocust op mijn tweejarige peuter, die haar vader zo meteen gaat zien.
Met haar kleine handjes pakt ze de zijkant van de houten kist vast en gaat op haar tenen staan om over de rand te kijken.
‘Daar isse papa!’ roept ze vrolijk, terwijl haar schitterende, stralende glimlach op haar gezicht tevoorschijn komt.
‘Hallo papa!’ Ze lijkt zich van geen kwaad bewust.
Ik ben eventjes stil. Overdonderd. Ik had veel verwacht, maar dit? Ik kan mijn emoties goed de baas op dit moment en haal diep adem om mijn innerlijke drang naar bescherming kracht bij te zetten.
Ik zie dat ze haar arm optilt en met haar handje richting Leons arm gaat. De schrik slaat me onverwacht om het hart en uit reflex pak ik haar handje snel vast om hem terug te trekken. Ergens verwacht ik nu een typische peuterpuber uitbarsting, maar die blijft uit. Stomverbaasd kijkt ze me aan.
‘Eva papa wakker maken?’ vraagt ze zachtjes.
Ik houd even mijn adem in. Dit is niet uit te leggen. Dit moet ze ervaren…
Maar ik moet toch iets zeggen?
‘Dat kan niet, schat. Je kan papa niet wakker maken. Papa is dood.’
Mijn stem trilt als ik het woord ‘dood’ uit spreek. Wat een verschrikkelijk, afgrijselijk woord is het ook eigenlijk.
Vanuit mijn ooghoek zie ik Leons gezicht. Hoewel ik rationeel gezien wel weet dat hij er niet meer is en niet meer kan bewegen, voelt het emotioneel gezien toch vreemd dat hij er nog exact hetzelfde bij ligt als net, toen ik alleen in deze kamer was. Het is zó vreemd dat ik even naar zijn handen kijk, om te zien of deze niet toevallig een stukje zijn verplaatst.
Dat is niet zo. Natuurlijk niet.
Jezus, Esmee.
Wederom word ik overvallen door het keiharde besef dat hij er echt niet meer is en ik voel het kippenvel vanaf mijn voeten langzaam omhoog kruipen.
‘Oh,’ zegt Eva zachtjes. ‘Papa dood.’
Ik slik mijn tranen weg. Wat komen deze woorden knetterhard aan van zo’n klein meisje.
Eva blijft naast de kist staan, haar handjes weer op de rand van de kist en ze blijft kijken naar haar vader.
Ik doe een stap opzij, zodat ik goed om het gordijn heen kan kijken. Ik kijk naar de deur en dan vullen mijn ogen zich met tranen door de manier waarop Jasper erbij staat.
Hij staat in elkaar gedoken in de deuropening, met één schouder tegen de deurpost. Zijn beentjes staan dicht bij elkaar en met één hand houdt hij de deurpost stevig vast. Zijn andere hand heeft hij in een vuistje gebald en houdt hij voor zijn mond. Hij houdt zijn kin bijna tegen zijn borst aan en heeft zijn schouders iets opgetrokken. Zijn grote blauwe ogen, gevuld met verdriet, kijken me angstig aan.
Ik heb mijn zoon natuurlijk weleens bang gezien. Wel vaker dan eens.
Toen hij voor het eerst uit logeren ging, toen hij voor het eerst naar de peuterspeelzaal ging. Zijn eerste schooldag… nog niet zo lang geleden. De fase dat hij elke nacht wakker werd, omdat hij keer op keer droomde dat er roze monsters uit het stopcontact op zijn kamer kropen. De angst die hij voor vliegen had toen hij een jaar of twee was. Als de dood was hij voor die beestjes.
Ja, ik heb hem weleens bang gezien.
Maar dit…Dit is een andere soort angst. Ik denk niet dat het persé de angst is om zijn vader te zien… Hij heeft nog nooit iemand gezien die niet meer leeft, dus ik kan me niet voorstellen dat hij daar een beeld bij heeft.
Het is, denk ik, de angst voor het onbekende. Hij heeft geen enkel idee hoe dit in zijn werk gaat, wat erbij komt kijken en wat hij kan verwachten. En om eerlijk te zijn… ik ook niet.
Mijn vader staat achter Jasper en heeft een hand op zijn schouder gelegd. Ook zijn ogen zijn volgelopen met tranen en zijn mondhoeken zijn ver naar beneden gedraaid. Stilletjes staan ze met z’n tweeën toe te kijken hoe Eva en ik bij de kist staan en praten over Leon.
‘Wil je ook komen kijken, Jasper?’ vraag ik vriendelijk.
Jasper schudt driftig zijn hoofd en doet een stap naar achteren, waardoor hij tegen zijn opa aan botst. Mijn vader lijkt het niet eens te merken. Hij heeft zijn ogen op het gordijn gericht. Ik denk dat hij Leons silhouet ziet, zoals ik die vanmorgen ook zag en even een momentje nodig heeft.
Ik laat Eva bij haar vader en loop naar mijn zoon toe. Ik ga door mijn hurken en pak het vuistje dat voor zijn mond zit, trek hem zachtjes en langzaam naar mijn mond en geef er een kus op.
‘Lieverd, als je niet wilt kijken, dan hoeft het niet. Het mag ook een andere keer, maar ook een andere keer hoeft het niet.’
Jasper knikt heftig.
‘Ik vind het hier niet zo fijn, mama.’
Het voelt alsof ik een klap in mijn gezicht krijg.
Mijn arme, arme kleine man. Hij was altijd al een gevoelig mannetje en dat komt nu extra sterk naar boven. Met zijn blauwe ogen lijkt hij de mijne te doorboren en hij kijkt me bijna smekend aan.
‘Wil je naar buiten?’
‘Ja.’ Hij knikt weer heftig en ik zie een traan over zijn wang lopen.
Ik voel mijn spieren aanspannen en ook mijn ogen lopen vol met tranen. Ik voel zijn pijn. Ik voel zijn verdriet.
‘Dan gaan we naar buiten,’ zeg ik zachtjes.
Ik trek Jasper in mijn armen en til hem op als ik weer ga staan. Hij houdt zijn armen stevig om mijn nek, zijn benen zijn met veel kracht om mijn middel geslagen en zijn gezicht ligt weer begraven in mijn hals. Ik voel hem snikken en aai met één hand over zijn blonde haren, terwijl ik hem langzaam van links naar rechts wieg.
‘Het geeft niks, schat.’
Mijn ogen zoeken die van mijn vader als ik mijn dochter roep.
‘Eva, ga je mee?’
‘Nee,’ zegt ze koppig. ‘Eva papa blijven.’
Fuck.
‘Es, ik blijf wel bij Eva. Ik wil ook graag nog even naar Leon toe. Als jij het goed vindt tenminste.’
Natuurlijk vind ik dat goed. Ik knik en houd ondertussen mijn zoon nog stevig in mijn armen. Hij wordt zwaar, maar er is geen haar op mijn hoofd die erover denkt om hem ook maar een seconde los te laten.
Ik doe een stap opzij, zodat mijn vader erlangs kan en loop dan met Jasper naar buiten, de frisse lucht in.
Eenmaal buiten blijf ik hem vasthouden en wiegen.
‘Vond je het eng, mannetje?’ vraag ik zachtjes.
‘Ja,’ zegt hij zacht.
‘Dat snap ik, schat, dat snap ik heel goed. Weet je dat ik het ook heel eng vond toen ik net voor het eerst naar binnen ging?’
Zijn greep om mijn nek verslapt en hij komt iets overeind, waardoor ik hem aan kan kijken. Zijn wangen zijn knalrood, waardoor de blauwe kleur van zijn ogen nog beter uitkomt. Verbaasd kijkt hij me aan.
‘Maar jij bent toch nooit bang, mama?’
‘Oh zeker wel! Ik ben heel vaak bang!’
‘Waar ben jij dan bang voor?’
‘Ik ben vaak bang dat jullie iets overkomt of dat jullie pijn krijgen. Ik ben bang dat jullie veel verdriet gaan hebben. Ik ben bang dat opa er op een dag niet meer is. Ik ben bang als jullie heel erg ziek zijn of als ik zelf heel ziek ben. En…’ Ik houd even mijn adem in en zeg even niks, terwijl ik een hoofd trek alsof ik heel hard moet nadenken.
‘En ik ben bang voor spinnen.’
Jaspers gezichtsuitdrukking verandert iets. Ik zie een kleine glimlach op zijn betraande gezichtje.
‘Spinnen?’ vraagt hij dan met een giechel.
‘Ja. Ik vind spinnen helemaal niks. Papa moet ze altijd pakken van mij,’ zeg ik lachend.
‘Mama, ik ben niet bang voor spinnen. Zal ik ze dan vanaf nu voor jou pakken?’
Ik voel meteen dat mijn hartslag versnelt en ik krijg spontaan weer tranen in mijn ogen. Mijn hart zit in mijn keel en ik span mijn kaak aan, terwijl ik probeer de tranen tegen te houden.
De lieve, lieve schat.
‘Dat zou ik heel fijn vinden, lieverd,’ zeg ik, terwijl ik mijn neus tegen zijn neus aan druk en hem vervolgens een klein kusje geef.
Mijn armen worden nu echt moe, dus ik zak weer door mijn knieën en zet Jasper op de grond. Ik zit nog gehurkt voor hem als hij mijn lichaamstaal kopieert en ook door zijn knieën gaat, waardoor hij alsnog een stuk lager zit dan ik. Ik moet erom glimlachen. Ik laat me op mijn billen zakken, zodat ik, midden op het paadje, op de grond zit. Jasper doet me, met een grote glimlach, na.
Daar zitten we dan, tegenover elkaar, op de grond. Jasper blijft me aankijken, hij observeert mijn gezichtsuitdrukking.
‘Waarom was jij bang om naar papa te gaan?’ vraagt hij wijs.
Ik moet even nadenken over mijn antwoord.
‘Omdat ik wist dat papa niets terug zou zeggen. En omdat ik niet zo goed wist hoe hij eruit zou zien.’
‘Oh.’ Jasper kijkt me met een frons aan. ‘En zei papa echt niks terug?’
‘Nou, ik heb papa niks gevraagd. Maar ik heb wel gezien dat hij echt niet meer kan praten.’
‘Hoe heb je dat dan gezien?’
‘Omdat papa zo stil lag. Zó stil… Dat ik kon zien dat hij geen adem meer haalde. En als je geen adem haalt, dan doet je hart het niet meer.’
‘Oh.’
‘Maar weet je?’
Hij blijft me afwachtend aankijken. Hij kijkt alsof ik een heel spannend verhaal aan het vertellen ben. Wat eigenlijk ook wel een beetje zo is in zijn ogen, denk ik.
‘Stapje voor stapje ben ik toch naar papa toe gegaan, terwijl ik het inderdaad best eng vond. En toen ik bij hem was, toen zag ik dat het nog gewoon papa was. Een hele stille papa, dat wel…’ Ik glimlach. ‘Maar het was wel gewoon papa. Het lijkt alsof hij lekker ligt te slapen, maar dat is niet zo, hè? Dat weten wij wel.’
Jasper schudt weer zijn hoofd.
‘En omdat ik zo veel van papa houd en zag dat hij het was, toen vond ik het niet meer eng. Toen vond ik het fijn om weer bij papa te zijn. Zelfs toen hij niks zei.’
‘Oh.’
Ik ben me er van bewust dat ik niet helemaal eerlijk ben tegen mijn zoon, ik vond het niet bepaald fijn daarbinnen, maar op dit moment zou ik alles zeggen om zijn verdriet en grote angst iets weg te nemen, al is het maar een klein beetje. Om hem gerust te stellen. En misschien mezelf ook wel een beetje…
‘Dag, Papa! Totte morgen!’ hoor ik ineens Eva roepen. Ik kijk op. Met een grote glimlach stapt ze uit de grote buitendeur en loopt op ons af.
‘Eva ook zitten!’
Ze gaat naast Jasper zitten.
Nou, dat heeft dus niet echt indruk gemaakt.
Ik kijk weer naar de deur en zie mijn vader verslagen naar buiten komen. Zijn gezicht is lijkbleek en hij lijkt volledig van de wereld te zijn. Snel krabbel ik overeind en ik loop naar hem toe. Hij lijkt het niet door te hebben.
‘Pap?’
Hij kijkt naar de grond.
‘Pap?’
Dan heb ik zijn aandacht. Hij kijkt langzaam op en ik zie opgedroogde tranen op zijn wangen.
‘Oh lieverd. Het is echt hè?’
Ik ben even van mijn stuk gebracht. Ik heb mijn vader nog nooit zo verslagen gezien.
‘Ja,’ fluister ik. ‘Het is echt.’
Ik wil hem knuffelen.
‘Hallo, mewouw,’ hoor ik Eva zeggen. Ik kijk haar aan en zie dat ze naar rechts kijkt, richting het gebouw. Ik volg haar blik en krijg de schrik van mijn leven.
Daar staat ze, haar smaragdgroene ogen die me vol angst aankijken. Haar bruine haren, nog net zo stijl als de dag daarvoor.
‘Esmee. Mag ik het uitleggen?’
Jezus. Dit meen je niet. Wat doet zij hier?
‘Esmeralda…’ fluister ik, terwijl ik aan de grond genageld sta.
‘Fenna. Ik heet Fenna. Geen Esmeralda. Mag ik het uitleggen?’

Over Doodse Stilte

Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse Stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

(11) Doodse stilte #11: ‘Oh jeetje. Moet ik een kist uitzoeken? Nu?’
(12) Doodse stilte #12: ‘Ik wil er niet over nadenken, het is nu rustig. Laat me genieten…’
(13) Doodse stilte #13: ‘Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd. Waar ben ik?’
(14) Doodse stilte #14: ‘Dit is het moment waar ik bijna een jaar op heb gewacht. Het moment dat ik de moordenaar van mijn kind in de ogen kan kijken’
(15) Doodse stilte #15: ‘Esmee, asjeblieft. Laat het me uitleggen’
(16) Doodse stilte #16: ‘Ssst…,’ sist ze hem toe. ‘Houd je kop.’ Haar stem is ineens akelig kil’
(17) Doodse stilte #17: ‘Ik word wakker van een harde bons en ik zit meteen rechtop in bed. Wat is dat?
(18) Doodse stilte #18: ‘Hij leeft pap. Hij heeft me gebeld!’
(19) Doodse stilte #19: ‘Wil ik dat al? Wil ik Leon vandaag zien? Wil ik hem überhaupt zien?’
(20) Doodse stilte #20: Doodse stilte #20: ‘Ik dwing mezelf om naar rechts te kijken. Daar ligt hij. Het is hem echt’