Doodse stilte #23: Ik heb nog nooit iemand geslagen. Maar… als ze nu niet heel snel weg loopt, dan krijgt ze mijn vuist regelrecht in dat ‘mooie’ gezichtje van haar’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

‘Leon, waar zit je?’ Mijn stem klinkt boos, gefrustreerd en mijn intonatie is hard en duidelijk.
Geen reactie.
‘Leon!’ roep ik naar boven.
‘Ja, wat moet je?!’ Zijn stem klinkt al bijna net zo boos als de mijne.
Wat moet je? Alsof hij het tegen een of andere hond heeft in plaats van tegen zijn vrouw. Mijn frustratie groeit.
‘Wat ik moet? Met je praten!’ Eigenlijk wil ik ‘kom hier’ roepen. Nee, schreeuwen! Hoe durft hij? In mijn hoofd herhaal ik de woorden, die ik de afgelopen weken al zo ontelbaar vaak tegen mezelf gezegd heb. ‘Hij heeft het moeilijk, hij heeft het moeilijk, hij heeft het moeilijk.’
‘Jezus, Esmee, moet dat nu?’
Serieus? Meent hij dit nou? Mijn woede wint het van mijn, te veel op de proef gestelde, geduld. Ik word overspoeld door een golf van opgekropte frustratie, ongeduld, wat ik nooit geuit heb, en intense teleurstelling.
‘Ja, verdomme, Leon, je komt nú naar beneden om te praten of ik pak mijn spullen en vertrek vandaag nog met de kinderen.’ Ik meen het ook nog.
Ik hoor gestommel boven en dan verschijnt hij bovenaan de trap. Als hij me vanaf daar aankijkt, zie ik dat zijn ogen samengeknepen zijn van woede. Hij heeft fronsrimpels op zijn voorhoofd en naast zijn ogen. Zijn normaal felblauwe ogen lijken ineens donkerder, duister bijna, en zijn mond is samengetrokken tot een rechte streep. Ik voel een rilling door me heen gaan en merk aan mezelf dat ik schrik van de intens kwade uitdrukking op zijn gezicht. Ik geloof niet dat ik hem eerder zo heb gezien.
‘Wat?’ snauwt hij van bovenaan de trap. ‘Dan rot je toch op?’
Zijn woorden komen knetterhard bij me binnen en mijn gezichtsuitdrukking verandert van kwaad naar geschrokken. Mijn ogen worden groter en mijn mond gaat een beetje open. Ik adem snel en diep in en houd mijn adem even vast, terwijl ik hem aan blijf kijken. Ik voel mijn hart bonzen van angst.
Zijn gezichtsuitdrukking verandert niet. Hij blijft me woedend aankijken en ik voel de tranen in mijn ogen verschijnen. 
Waar is Leon? Waar is mijn Leon?
Degene die me nu aankijkt, is niet mijn lieve, sociale en goedlachse man. Hij lijkt een soort donkere, en tevens angstaanjagende, versie van degene waarmee ik getrouwd ben.
Ik slik mijn tranen weg en hef mijn hoofd. Deze man, zoals hij nu is, is geen enkele traan waard. Als hij wil dat ik weg ga… nee, als hij wil dat ik oprot, dan kan hij het krijgen ook.
Ergens hoop ik dat hij tot het besef komt dat dit niet goed is, wat hij hier allemaal aan het doen is. Dat hij doorheeft dat hij zijn complete huwelijk op het spel aan het zetten is. Word wakker… In godsnaam, word wakker.
Maar ik zie het in zijn ogen. Zijn blik is zelden zo zelfverzekerd geweest. Hij is er klaar mee.
‘Sta me niet zo aan te kijken,’ snauwt hij. ‘Ga dan!’
Van schrik doe ik een klein stapje naar achteren. Ik voel de tranen, die ik net weg geslikt heb, weer terugkomen en ik wend mijn ogen van hem af. Dan draai ik me om, loop de gang uit en sla de deur van de gang met een grote knal achter me dicht. Ik sta te trillen in de keuken als ik mijn handen op het aanrecht leg en iets vooroverbuig, in een poging om tot rust te komen. Mijn ademhaling is snel en onregelmatig en al mijn zintuigen lijken op scherp te staan.
Met mijn linkerhand pak ik een glas water wat nog op het aanrecht staat en ik neem snel een slok. Door de wilde beweging mors ik een paar druppels op mijn shirt en met kracht veeg ik ze eraf.
Waar slaat dit in godsnaam op. Is dit het eindresultaat van ons huwelijk, onze kinderen? Alles waar we zo hard voor gewerkt hebben? Is dit dan het einde?
Mijn armen trillen als een gek en ik word overmand door emoties, terwijl ik mijn best doe om logisch en snel na te denken.
Ik ga weg.
Maar de kinderen dan?
Ja, die gaan mee.
Wat moet ik meenemen?
Kleren.
Luiers.
Maar… wacht.
Waar moet ik heen? Met z’n drietjes naar het huis van mijn vader? Hij ziet ons aankomen. Natuurlijk zou hij onmiddellijk zijn huis ter beschikking stellen, maar het past niet eens! Mijn vader heeft één slaapkamer in zijn appartement.
Nee, dat kan niet.
Mijn moeder?
Nee, ik moet er niet aan denken.
En dan plotseling komt het in me op.
Vera.
Haar huis is leeg. Ze zit ergens aan de andere kant van de wereld en haar huis staat leeg.
En… ik heb nog een sleutel ook. Ik adem diep in.
Ga ik dit echt doen?
Ja, ik ga dit echt doen.
Ik kijk naar de kinderen die op de bank zitten en helemaal verdiept zijn in een televisieserie. Volgens mij hebben ze niks meegekregen van de ruzie die Leon en ik zojuist hebben gehad.
Gelukkig maar.
Ik probeer nog steeds om logisch na te denken, maar het is niet makkelijk.
Oké, tandenborstels.
De knuffelhond van Jasper.
Ik denk het allemaal wel, maar ik blijf in de keuken staan, ik kan me niet bewegen. Ik kan me er niet toe zetten om daadwerkelijk weg te gaan bij Leon.
Ik kan het niet.
Maar ik heb het gezegd, nu moet ik toch gaan?
Fuck. Wat nu?
‘Mama is zo terug,’ zeg ik tegen de kinderen.
Ik vlucht door de tuindeuren de tuin in en loop naar het kleine, groen met witte tuinhuisje, wat achterin onze tuin verstopt staat. Ik open de deur en loop in één streep naar een oud, vervallen kastje wat daar op de grond staat. Ik trek hem open en zie de plank met blikken oude verf en kwasten.
Hier ben ik lang niet geweest. Zal het er nog liggen?
Met mijn rechterhand ga ik voorzichtig over de blikken verf heen en daar achter zoek ik met mijn hand naar datgene waar ik nu echt even behoefte aan heb.
Ik voel het rechthoekige doosje al snel en ik haal het naar me toe.
Ja. Sigaretten.
Ik open het doosje snel en kundig, alsof ik niet al ruim twaalf jaar gestopt ben, en haal er een sigaret en een aansteker uit. Ik doe de sigaret in mijn mond, steek hem aan en inhaleer de rook in mijn longen. Dan laat ik me op de grond zakken, met mijn rug tegen het kastje aan.
Ik zie mijn trillende hand richting mijn mond gaan en inhaleer opnieuw.
Ik probeer te begrijpen wat hier gebeurt, maar ik kan het niet.
De smaak in mijn mond verandert. Van heel vies, naar heel lekker en het is precies wat ik nu even nodig heb.
Daar zit ik dan, op een koude, stenen grond met een sigaret op mijn lip, een hartslag van ik-weet-niet-hoe-veel-maar-hij-is-hoog en tranen in mijn ogen. Onmacht, volledig overmand door onmacht.
Is dit het einde van ons huwelijk?

~~

Compleet perplex blijf ik de smaragdgroene ogen van Fenna vasthouden. Ik weet niks te zeggen, ik kijk haar alleen maar aan.
‘Esmee… laat me het uitleggen… alsjeblieft.’
Mijn vader, waarschijnlijk nog overmand door emotie van zojuist, zegt ook niks en kijkt, net als ik, naar Fenna alsof we water zien branden.
Het lijkt een paar minuten te duren voordat ik antwoord geef.
‘Weet jij wat wij net gedaan hebben?’ zeg ik zachtjes, met een dreigende ondertoon.
Fenna’s ogen zijn nog net zo angstig als net.
‘Eh… nee…? Ik kwam hier alleen wat spullen ophalen…Ik denk niet dat ik nog stage mag lopen bij Gabriëlla…  en toen… nou… toen zag ik je…’
‘Toen zag je mij,’ herhaal ik.
‘Ja. En toen dacht ik… Misschien is ze een beetje afgekoeld…’
‘Afgekoeld?’ Ik herhaal het woord bijna briesend.
‘Nou ja, ik bedoel niet afgekoeld… ik bedoel… eh… rustiger?’
‘Fenna. Ik kan je één ding garanderen. Als ik jou zie, dan komt alle woede onmiddellijk, maar ook écht direct weer naar de oppervlakte.’
Ik zie haar een klein beetje achteruit deinzen door mijn woorden en ik hoor haar hersenen bijna ratelen. Ze weet niet wat ze moet zeggen.
‘Ik… Oh… Ik… Ja, dat snap ik… Daarom wil ik het je zo graag uitleggen.’
‘Verdomme, Fenna. Ik heb net mijn man voor het eerst gezien, nadat hij dood is. Ja? Dood! Mijn kinderen, die kleintjes hier, zij hebben net voor het eerst hun vader gezien. Denk je nou écht dat ik zit te wachten op een focking uitleg?’ Ik ben woest en dat is duidelijk aan mijn stem te horen.
‘Sorry, Esmee. Ik… Sorry.’ Fenna kijkt naar beneden en ik zie haar onderlip iets trillen.
Ja, hallo… gaat ze nou het zielige meisje uithangen?
‘Doe normaal, jij. Ga nou niet net doen alsof je verdrietig bent. Rot op. Jij gaat mij zeker nog spreken, dat kan ik je garanderen. Maar niet nu. Niet vandaag. Wat denk je wel niet?’
Fenna blijft naar de grond staren. Als ik uitgeraasd ben, gaat langzaam haar hoofd omhoog. Ik zie een traan over haar wang biggelen, wat me alleen maar kwader maakt.
‘Oprotten!’ schreeuw ik haar toe en ik doe een stap vooruit. ‘Ga weg! Doe niet alsof je verdrietig bent. Rot gewoon op!’
Ik zie haar zachtjes knikken. Haar schouders hangen naar voren.
‘Sorry, Esmee,’ fluistert ze.
‘Pleur een eind op met je sorry. Ga gewoon!’ Ik heb nog nooit, nog nooit iemand geslagen. Maar… ik zweer het je, als ze nu niet heel snel weg loopt, dan krijgt ze mijn vuist regelrecht in dat ‘mooie’ gezichtje van haar.
Ze lijkt de boodschap eindelijk te begrijpen. Langzaam draait ze zich om, loopt weg en verdwijnt dan achter het imposante witte gebouw.
Ik voel de hand van mijn vader om mijn middel schuiven.
‘Gaat het?’ vraagt hij zachtjes.
Mijn vader heeft de twijfelachtige gave om me met twee woorden aan het huilen te krijgen. Ik voel de tranen over mijn wangen lopen, maar ik beweeg niet. Ik snik niet. Alleen de tranen stromen. Met een harde beweging veeg ik ze van mijn gezicht. Dan hef ik mijn hoofd en steek mijn kin iets vooruit.
‘Nee. Het gaat niet. Laten we maar naar huis gaan.’

Over Doodse Stilte

Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse Stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

Mocht je benieuwd zijn naar de eerste hoofdstukken van Doodse Stilte, dan raden we je aan om het boek te bestellen.
(6) Doodse stilte#6: ‘Het voelt alsof ik toeschouwer ben van één of andere bizarre theatershow’
(7) Doodse stilte #7: ‘Ik wil het niet horen, maar het kan niet anders’
(8) Doodse stilte #8: ‘Dit is raar. Moet ik nou bedankt zeggen?’
(9)Doodse stilte #9: ‘Ik voel dat mijn handen ijskoud zijn en er gaat een rilling over mijn rug’
(10) Doodse stilte #10: ‘Wat doet het ertoe hoe laat ik gehoord heb dat mijn man dood is?’
(11) Doodse stilte #11: ‘Oh jeetje. Moet ik een kist uitzoeken? Nu?’
(12) Doodse stilte #12: ‘Ik wil er niet over nadenken, het is nu rustig. Laat me genieten…’
(13) Doodse stilte #13: ‘Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd. Waar ben ik?’
(14) Doodse stilte #14: ‘Dit is het moment waar ik bijna een jaar op heb gewacht. Het moment dat ik de moordenaar van mijn kind in de ogen kan kijken’
(15) Doodse stilte #15: ‘Esmee, asjeblieft. Laat het me uitleggen’
(16) Doodse stilte #16: ‘Ssst…,’ sist ze hem toe. ‘Houd je kop.’ Haar stem is ineens akelig kil’
(17) Doodse stilte #17: ‘Ik word wakker van een harde bons en ik zit meteen rechtop in bed. Wat is dat?
(18) Doodse stilte #18: ‘Hij leeft pap. Hij heeft me gebeld!’
(19) Doodse stilte #19: ‘Wil ik dat al? Wil ik Leon vandaag zien? Wil ik hem überhaupt zien?’
(20) Doodse stilte #20: Doodse stilte #20: ‘Ik dwing mezelf om naar rechts te kijken. Daar ligt hij. Het is hem echt’