Doodse stilte #24: ‘Vol verbazing kijk ik haar aan. Hoe durft ze?’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Als we thuiskomen, voel ik me gesloopt. Mijn oogleden hangen voor mijn gevoel ergens ter hoogte van mijn kin en ik voel me vlak, uitgeput en emotieloos. De vermoeidheid overheerst en ik merk dat dit bij de kinderen niet anders is. Met name Eva heeft genoeg van de grille sfeer en heeft me al ongeveer vierhonderd keer gevraagd of we naar de speeltuin gaan. Ik blijf zeggen dat dit helaas niet kan, omdat Gabriëlla straks komt om de uitvaart door te spreken, maar ze begrijpt er niets van. Het enige wat ze begrijpt is dat we niet naar de speeltuin gaan, waardoor ze haar sirene in de auto heeft aangezet. Bijna de hele weg heeft ze lopen schreeuwen en gillen.
Jasper zat zich op te vreten. Voor hem was de ochtend bij zijn vader ontzettend heftig en hij was al overprikkeld op het moment dat we in de auto stapten. Zijn schreeuwende zusje zorgde ervoor dat ook hij zijn tranen niet kon bedwingen. En zo kwam het dat we een kwartier lang bij twee schreeuwende kinderen in de auto zaten. Ik deed mijn best om ze rustig te krijgen, maar ik had niet het geduld en de energie om dit op de juiste, geruststellende manier te doen, waardoor ik tegen Eva uit ben gevallen. Het was vervolgens twee seconden stil in de auto, terwijl vier verbaasde oogjes me geschrokken aankeken. Toen werd het gehuil van Jasper en het geschreeuw van Eva nog erger en liet ik me onderuit zakken in de bijrijdersstoel, terwijl de tranen achter mijn ogen prikten.
Als we naar binnen lopen, trekt Jasper zijn schoenen uit en helpt vervolgens, uit zichzelf, zijn zusje om haar schoenen ook uit te doen. Hij zegt niets, hij doet het gewoon. Alsof hij voelt dat ik zelfs tot zoiets simpels niet in staat ben op dit moment.
We lopen de woonkamer in en ik zie dat Eva in haar oogjes wrijft.
‘Zal ik jou even naar bed brengen, meis?’
Tot mijn verbazing sputtert ze niet tegen, knikt ze alleen.
‘Mag ik ook even slapen, mama?’
Verbaasd kijk ik Jasper aan. Hij slaapt al ruim een jaar niet meer tussen de middag.
‘Wil je slapen?’
‘Ja. Ik ben heel moe…’ Zijn gezichtje staat verdrietig en ik vraag me af of hij echt moe is en wil slapen of dat hij gewoon even behoefte heeft aan tijd voor zichzelf en stilte om zich heen. Wat het antwoord ook is, natuurlijk mag hij naar bed.
‘Zet jij even koffie, pap?’ vraag ik mijn vader.
Hij knikt en ik til mijn dochter op, die direct haar armpjes om mijn nek slaat en haar hoofd tegen mijn borst legt.
‘Kom maar, jongens,’ zeg ik zachtjes.
Met Jasper voor me en Eva op mijn arm, loop ik de trap op. Ik leg Eva in haar bedje en geef haar een warme kus, voordat ik de deur achter me dicht doe. Dan loop ik met Jasper naar zijn kamer. Hij zegt niets, geen woord. Hij trekt zijn spijkerbroek uit en kruipt in zijn bed. Hij trekt het dekbed tot aan zijn kin op en twee grote, blauwe ogen staren me aan, vanonder het dekbedovertrek, bezaaid met vrolijk gekleurde auto’s.
Ik slik en ga bij hem op het bed zitten. Ik voel zijn pijn, zijn verdriet en ik voel dat hij zich, ondanks het feit dat hij nog maar vier jaar oud is, sterk probeert te houden voor mij. Hij probeert mij te beschermen. Hoe lief ook, dat mag niet de bedoeling zijn. Ik wil zijn toevluchtsoord zijn. Zijn rots in de branding. Niet andersom.
Ik buig voorover en veeg met mijn rechterhand wat verdwaalde haren van zijn voorhoofd, terwijl ik hem in zijn ogen kijk.
‘Hoe vond je het bij papa?’ vraag ik zachtjes.
Hij haalt langzaam zijn schouders op en ik zie dat hij zijn mond iets samenperst.
‘Weet ik niet.’
Er komt een steen in mijn maag bij het zien van mijn kleine mannetje, vol verdriet en in tweestrijd met zichzelf om te vertellen hoe hij het echt vond.
‘Mama?’ vraagt hij dan.
‘Ja, schat?’
‘Soms… dan gebeurt er iets wat je niet had verwacht, toch?’
Ik slik weer.
‘Ja, dat klopt. Dit hadden we ook niet verwacht, hè?’
Hij schudt zijn hoofd.
‘Nee. Ik vind dit niet zo’n leuke verrassing.’
Ik merk dat ik eventjes mijn adem inhoud.
‘Nee, dat is het zeker niet. Dit is de ergste verrassing die er bestaat, hè?’
‘Ja.’
Ik zie zijn ogen vollopen met tranen en uit reflex verplaats ik me, zodat ik naast hem lig. Snel sla ik mijn arm beschermend om hem heen en trek hem dicht tegen me aan. Ik voel zijn tranen in mijn hals en schud amper zichtbaar met mijn hoofd. Zachtjes wieg ik hem heen en weer, terwijl ook ik mijn tranen niet meer kan bedwingen.
Daar liggen we, met ons tweetjes, in een kinderbed te huilen. Ik hoor mijn zoon snikken en ik hoor hem zijn neus meermaals ophalen. Zijn kleine lichaampje schudt van het huilen en weer breekt mijn hart in duizenden stukjes. Ik geef hem zoveel kusjes op zijn hoofd als ik maar kan en houd hem ondertussen dicht tegen me aan. Veilig in mama’s armen, terwijl ik hem heen en weer wieg. Het liefst zou ik al zijn verdriet in me opnemen, zodat hij verlost wordt van deze ondraaglijke pijn.
Maar dat kan niet. We moeten hier allemaal doorheen en dat kan alleen door zijn emotie alle ruimte te geven.
Mijn tranen belanden op zijn haren en in zijn kussensloop. We huilen samen minutenlang en dan voel ik dat zijn lichaam langzaam minder begint te schokken. Behalve dat ik af en toe ‘ach lieverd toch’ zeg, houd ik mijn mond. Ik houd hem alleen maar vast en geef hem mijn volledige aandacht. Alsof we samen in een bubbel van verdriet zitten.
Na een paar minuten is zijn lichaam gestopt met schokken en hoor ik dat zijn ademhaling zwaarder en regelmatiger is geworden. Heel voorzichtig maak ik me iets van hem los en ik kijk naar zijn gezichtje, wat vol met rode vlekken zit van het huilen. Met mijn duim veeg ik zachtjes wat laatste tranen weg. Zijn ogen zijn gesloten en ontspannen.
Hij slaapt.
Ik blijf nog heel eventjes liggen, om er zeker van te zijn dat hij wat dieper slaapt en haal dan langzaam mijn armen bij hem weg. Ik schuif mijn lichaam in slow motion van hem af en sta dan op.
Gelukkig.
Hij slaapt nog.
Op mijn tenen sluip ik de kamer uit en sluit de deur met uiterste precisie, om maar zo weinig mogelijk geluid te maken.

Beneden zit mijn vader op de bank te bellen, terwijl hij af en toe slokjes neemt van een kopje koffie.
‘Ik ga het met haar overleggen, momentje.’
Hij houdt zijn telefoon iets van zijn oor af en kijkt mij aan.
‘Je schoonouders willen graag bij het gesprek met Gabriëlla aanwezig zijn. Vind je dat goed?’
Eh… Moet ik dat nu beslissen? Ja hè?
Ik haal mijn schouders op en knik dat het oké is.
‘Ze vindt het prima, dan zien we jullie zo… Ja… Oké… Nee, hoeft niet, ik heb al boodschappen meegenomen. Ja… Tot zo.’
Dan legt hij zijn telefoon naast zich neer en kijkt me met een warme blik aan.
‘Ze komen eraan,’ zegt hij, terwijl hij vooroverbuigt om zijn koffie weer op tafel te zetten.
Ik knik. Niet wetende of ik het fijn of juist naar vind dat ze bij dit gesprek aanwezig zijn, maar het zijn de ouders van Leon, dus ik vind dat ze het recht hebben om erbij te zijn.
‘Slapen ze?’ vraagt mijn vader, doelend op Jasper en Eva.
Ik knik weer.
‘Oké,’ zegt hij, terwijl hij me onderzoekend aankijkt.
Ik ga op de bank zitten en neem een slok van de koffie. Die is inmiddels lauw geworden, maar het maakt me niets uit. Dan kijk ik mijn vader aan.
‘Wat vond je ervan om Leon te zien?’
Ik zie dat de gezichtsuitdrukking van mijn vader verandert. Ik zie de pijn in zijn ogen en hij wendt zijn ogen af.
‘Moeilijk,’ zegt hij dan.
‘Ja, dat vond ik ook.’ Mijn stem is zacht.
‘Hij zag er anders uit,’ vervolgt mijn vader.
Ik knik.
‘Als Leon, maar dan anders.’
‘Ja, precies.’ Mijn vader houdt even zijn adem in. ‘Wil je er nog een keer naartoe deze week, denk je?’
Meteen voel ik een enorme drang om nog een keer naar Leon te gaan. Om nog een keer zijn hand vast te houden. Om nog iets tegen hem te zeggen, om de hem een laatste kus te geven, ondanks de heftige ervaring die ik deze morgen gehad heb.
Ja. Ik wil nog bij hem zijn. Mijn hele lichaam schreeuwt dat ik nog naar hem toe moet.
‘Ja. Dat wil ik zeker.’
Mijn vader knikt begrijpend.
‘Dat snap ik.’
Zwijgend drinken we onze koffie verder op. Het zwijgen wordt onderbroken door het geluid van de bel.
Ik haal diep adem. Dat moet Gabriëlla zijn. Daar gaan we.

Ik loop de gang in en als ik de deur open staat daar inderdaad Gabriëlla, met hetzelfde koffertje als gisteren.
‘Dag, Esmee,’ zegt ze vriendelijk.
Het is me een raadsel hoe een figuur, die gisteren nog zo raar reageerde, nu ineens normaal kan doen, maar het boeit me ook vrij weinig op dit moment, dus ik zet me eroverheen. 
‘Dag Gabriëlla, kom binnen.’
‘Dank je.’
Ze loopt naar binnen, geeft mijn vader een hand en neemt weer plaats aan de eettafel.
‘Hoe vond je het vanmorgen?’ vraagt ze.
‘Heftig.’ Mijn antwoord is kort, maar duidelijk. Ik heb op dit moment niet de behoefte om daarover te praten. Ik wil gewoon de praktische dingen regelen, zodat dat in ieder geval voorbij is.
‘Zullen we beginnen?’ vraag ik daarom meteen.
‘Misschien moeten we even op Joke en Henk wachten,’ geeft mijn vader aan. ‘Heb je zin in koffie, Gabriëlla?’
Oh ja, dat is ook wel zo netjes.
‘Graag,’ zegt ze, terwijl ze mijn vader aankijkt.
Ze haalt dezelfde map als gisteren uit haar tas en legt deze weer kaarsrecht op de tafel, met haar vulpen er strak boven. Ik bekijk het tafereel van een afstandje. Ze komt, ondanks dat ze wat ontspannen binnen leek te komen, toch wat zenuwachtig over. Ik zie dat ze het formulier tevoorschijn haalt wat we gisteren ingevuld hebben en ik zie Leons naam en geboortedatum staan.
Zesendertig jaar. Het is toch verdomme van de zotte. Zesendertig en dan is het klaar, afgelopen. Dan is daar ineens het einde.
Mijn vader drukt me een vers kopje koffie in de handen en loopt dan door naar Gabriëlla om haar ook een kopje te geven.
Koffie.
Ik heb eigenlijk helemaal geen zin in koffie. Ik heb behoefte aan een groot glas wijn. Mijn ogen glijden langs de klok. Het is halftwee ’s middags. Ergens in mijn achterhoofd hoor ik Vera’s stem: ‘Ergens op de wereld is het avond, dus drinken!’
Maar ik doe het niet, natuurlijk doe ik het niet. Ik wacht tot vanavond.
Mijn vader raakt met Gabriëlla aan de praat, maar ik luister niet naar het gesprek. Ik zie weer Leons bleke gezicht voor me. Voel zijn koude handen opnieuw onder mijn vingers en ik zie zijn gezicht…. Zijn bekende en toch zo vreselijk onbekende gezicht. Ik sluit even mijn ogen en haal diep adem.
Buiten hoor ik een portier van een auto dicht slaan en ik kijk uit het raam. Ik zie Joke en Henk uit de auto stappen en ik zie dat Henk zijn arm om zijn vrouw heen slaat, als ze richting de deur lopen.
Voordat ze aangebeld hebben, loop ik de gang in en ik open de deur.
‘Dag, lieve Esmee,’ Jokes stem trilt en ze geeft me een knuffel.
Dan zie ik het gezicht van mijn schoonvader. Zijn gezicht is ingevallen en grauw. Het lijkt of hij de afgelopen vierentwintig uur wel tien kilo lichter is geworden. Mijn schoonvader is een vriendelijke man, maar hij is geen warm persoon, zoals mijn eigen vader is.
‘Niet zeuren, maar doorgaan.’ Zijn motto.
Als hij dat vandaag uit gaat spreken, dan bonjour ik hem zo de voordeur uit.
Ik schrik van mijn eigen gedachte. Natuurlijk doe ik dat niet. Dat is niks voor mij. Maar hij zal het nu ook niet uitspreken, toch?
Leon heeft me weleens verteld dat het, na het overlijden van zijn zusje, echt een drama is geweest thuis. Zijn ouders waren beide op hun eigen manier in rouw, waarbij Joke enorm emotioneel was en dit ook graag uitte. Ze wilde praten, huilen en herinneringen ophalen over hun dochter. Henk was het tegenovergestelde en heeft zijn verdriet amper geuit. Hij kapte zijn vrouw regelmatig af als zij ‘weer eens’ wilde praten, tot grote frustratie van Joke. Het heeft hen bijna hun huwelijk gekost, bijna.
Henk stapt over de drempel en kijkt me aan. Ik schrik van de blik in zijn ogen. De intense pijn straalt ervan af.
‘Dag, Esmee,’ zegt hij zakelijk, terwijl hij me drie zoenen geeft. Hij knijpt zachtjes in mijn schouder. Overduidelijk zijn manier om zonder woorden uit te drukken hoe afgrijselijk deze situatie is.
‘Is de uitvaartverzorgster er al?’ vraagt hij.
Ik knik.
‘Ze zit binnen.’
‘Oké, dan gaan we maar beginnen.’ Zijn stem is kortaf en ik merk dat het me, ondanks dat ik dit zelf ook zo snel mogelijk achter de rug wil hebben, irriteert.
Natuurlijk zeg ik niets. Henk is een man van weinig woorden en meestal is een gesprek aanknopen met hem best lastig. Waar Joke iedereen de oren van de kop af kan kletsen, is Henk ook op dat gebied haar absolute tegenpool. Ik heb nooit begrepen wat die twee met elkaar hebben, maar goed… Tegenpolen trekken elkaar wellicht echt aan.
We lopen achter elkaar de gang door, zwijgend. De sfeer die er hangt, voelt als een extra last op mijn schouders en weer overweeg ik om toch een glas wijn voor mezelf in te schenken, maar ik doe het nog steeds niet.

Een paar minuten later zitten we met ons vijven rond de tafel, stuk voor stuk met een kopje koffie voor onze neus.
‘We moeten beginnen met de uitvaart,’ zegt Gabriëlla. Ze kijkt me aan.
‘Hebben jullie nagedacht of het een begrafenis of crematie moet worden?’ vervolgt ze.
Ik haal diep adem.
‘Crematie,’ zeg ik.
Gabriëlla knikt en buigt voorover om het op te schrijven, als Joke haar onderbreekt.
‘Wacht even. Waarom een crematie? Ik wil liever dat hij begraven wordt.’
Verbaasd kijk ik haar aan.
‘Hoezo?’ vraag ik.
‘Omdat ik vind dat dat de natuur is. Een lichaam moet vergaan in de grond. Niet branden in een oven.’
Vergaan.
Branden.
Haar woorden herhalen zich in mijn hoofd.
‘Ik wil niet dat hij opgegeten wordt door insecten,’ mompel ik.
Joke kijkt me aan.
‘Dat is de natuur, schat.’
Oké. Rustig, Esmee. Rustig.
‘Dat maakt me niets uit. Ik wil niet verplicht zijn om naar een graf te gaan. Ik wil hem niet in de grond zien zakken. Ik wil het niet.’
‘Wil je dan zien hoe hij in een oven wordt gedrukt?’ De stem van Joke wordt wat harder en klinkt bijna verwijtend.
Vol verbazing kijk ik haar aan. Hoe durft ze?
‘Natuurlijk wíl ik dat niet.’ Ik verhef mijn stem. ‘Ik wil helemaal niets van dit alles, maar ik wil in ieder geval geen begrafenis…’ Ik probeer mijn stem rustiger te maken, maar mijn emoties lopen op en ik heb moeite om me rustig te houden.
Joke kijkt Gabriëlla aan.
‘Ik ben zijn moeder, ik heb hem op de wereld gezet en ík bepaal ook hoe hij hem zal verlaten.’

Over Doodse Stilte

Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse Stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels.

Lees ook de vorige hoofdstukken van Doodse Stilte:

Mocht je benieuwd zijn naar de eerste hoofdstukken van Doodse Stilte, dan raden we je aan om het boek te bestellen.
(6) Doodse stilte#6: ‘Het voelt alsof ik toeschouwer ben van één of andere bizarre theatershow’
(7) Doodse stilte #7: ‘Ik wil het niet horen, maar het kan niet anders’
(8) Doodse stilte #8: ‘Dit is raar. Moet ik nou bedankt zeggen?’
(9)Doodse stilte #9: ‘Ik voel dat mijn handen ijskoud zijn en er gaat een rilling over mijn rug’
(10) Doodse stilte #10: ‘Wat doet het ertoe hoe laat ik gehoord heb dat mijn man dood is?’
(11) Doodse stilte #11: ‘Oh jeetje. Moet ik een kist uitzoeken? Nu?’
(12) Doodse stilte #12: ‘Ik wil er niet over nadenken, het is nu rustig. Laat me genieten…’
(13) Doodse stilte #13: ‘Ik word half wakker en ben gedesoriënteerd. Waar ben ik?’
(14) Doodse stilte #14: ‘Dit is het moment waar ik bijna een jaar op heb gewacht. Het moment dat ik de moordenaar van mijn kind in de ogen kan kijken’
(15) Doodse stilte #15: ‘Esmee, asjeblieft. Laat het me uitleggen’
(16) Doodse stilte #16: ‘Ssst…,’ sist ze hem toe. ‘Houd je kop.’ Haar stem is ineens akelig kil’
(17) Doodse stilte #17: ‘Ik word wakker van een harde bons en ik zit meteen rechtop in bed. Wat is dat?
(18) Doodse stilte #18: ‘Hij leeft pap. Hij heeft me gebeld!’
(19) Doodse stilte #19: ‘Wil ik dat al? Wil ik Leon vandaag zien? Wil ik hem überhaupt zien?’
(20) Doodse stilte #20: Doodse stilte #20: ‘Ik dwing mezelf om naar rechts te kijken. Daar ligt hij. Het is hem echt’
(21) Doodse stilte #21: ‘Papa ligt hierbinnen, achter een gordijn. In een mooie, witte kist’
(22) Doodse stilte #22: ‘Ik ben eventjes stil. Overdonderd. Ik had veel verwacht, maar dit?’
(23) Doodse stilte #23: Ik heb nog nooit iemand geslagen. Maar… als ze nu niet heel snel weg loopt, dan krijgt ze mijn vuist regelrecht in dat ‘mooie’ gezichtje van haar’