Doodse stilte #31: ‘Mijn, nog steeds trillende, handen pakken voorzichtig het kopje. Dan draai ik me om’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Als ik de deur van het schoolgebouw uitloop, haal ik even diep adem. Ik adem de frisse buitenlucht diep in en laat langzaam mijn adem ontsnappen. Om me heen zie ik ouders naar hun auto rennen. Zij hebben waarschijnlijk hun kinderen naar school gebracht en gaan nu snel naar hun werk.
Alsof dat belangrijk is.
Maar ja, ik deed zelf niet anders tot afgelopen vrijdag, dus ik kan het ze niet kwalijk nemen. Met grote stappen loop ik naar de auto.
Ik voel nog even snel in mijn jaszak.
Ja. Ik heb de sleutel bij me.
Ik ga zitten, start de auto en rijd dan in één streep naar het uitvaartcentrum. Alles in mij schreeuwt dat ik bij Leon moet zijn, wil zijn.
Alleen.
Niemand die buiten op me staat te wachten.
Als ik tien minuten later aankom, is het stil bij het uitvaartcentrum. De kille sfeer, die er afgelopen weekend leek te hangen, lijkt plaats te hebben gemaakt voor een warme en gemoedelijke sfeer.
Met trillende handen parkeer ik de auto en als ik stil sta, laat ik mijn handen even op het stuur rusten. Mijn handen blijven trillen en ik slik een vlaag van misselijkheid weg.
Een baby.
Dan stap ik langzaam uit de auto. Ik voel nogmaals in mijn jaszak en omklem de grote sleutelhanger met mijn hand. Ik kijk naar het imposante, witte gebouw en naar de ruimte waar Leon ligt. Hij voelt zó dichtbij en toch zo ver weg. Ik voel de spanning op mijn borstkas toenemen en probeer mezelf tot orde te roepen.
Waarom vind ik dit eng? Het is Leon maar.
Leon. Mijn lieve man.
Ik tuit mijn lippen iets en zuig de frisse lucht naar binnen. Eerst open ik de eerste deur en ik kom in het halletje met het koffiezetapparaat. Ik besluit dat ik wat wil drinken en ik pak een kopje van boven het apparaat. Dan druk ik op het juiste knopje en, met een zoemend geluid, loopt er een straaltje koffie in het kopje.
Het gaat langzaam, maar het kan me niet lang genoeg duren. Als de koffie nog niet klaar is, hoef ik nog niet naar binnen. Het is raar dat ik me bewust word van mijn innerlijke gevecht. Aan de ene kant wil ik dolgraag naar Leon toe en aan de andere kant vind ik het nog steeds doodeng.
Terwijl ik de koffiegeur opsnuif, hoor ik een klein piepje. De koffie is klaar.
Mijn, nog steeds trillende, handen pakken voorzichtig het kopje. Dan draai ik me om naar de deur waar Leon achter ligt. Langzaam en zorgvuldig steek ik de sleutel in het sleutelgat en ik open de deur.
Meteen verstomt het zoemende geluid van de koelinstallatie en ik sluit even mijn ogen. Mijn hart bonkt hart in mijn keel en ik span de spieren van mijn kaken aan.
Oké, daar gaan we.
Zonder naar het gordijn te lopen, loop ik rechtstreeks naar de tafel, waar ik mijn koffie op zet. Ik trek mijn jas uit en hang hem over een stoel. Vervolgens sluit ik de deur achter me.
Ik blijf eventjes stil staan, met mijn rug tegen de deur aan. Dan draai ik langzaam mijn gezicht naar rechts en zie het silhouet van Leon door het gordijn heen.
Voorzichtig loop ik naar zijn kist. Niet meer zo angstig als eerst, maar ook niet vol zelfvertrouwen. Ik kijk om het hoekje en zie hem weer liggen…
Zijn haren, zijn gesloten ogen, zijn gevouwen handen… Zijn huidskleur lijkt grauwer en bleker dan voorheen. Ligt het aan mij of zijn lippen wat blauwer geworden?
‘Dag, lieverd,’ zeg ik zachtjes, terwijl ik naast hem ga staan. Voorzichtig leg ik mijn hand op zijn hand. Zijn huid voelt koud aan en ik voel de tranen in mijn ogen komen.
Hij ligt daar zó stil. Het is bijna ongelooflijk om te zien.
Er is niks meer wat beweegt, wat, in welke vorm dan ook, nog leeft. Het blijft raar om te zien dat zijn houding nog exact hetzelfde is als zaterdag, terwijl ik rationeel gezien echt wel weet dat dat logisch is.
Ik kijk naar zijn lippen en leg er voorzichtig een vinger op. Gewoon, omdat ik hem weer even wil aanraken. Nog even zijn lippen wil voelen.
Zijn lippen zijn zacht, maar ijskoud. Hoe vaak heeft mij me wel niet gekust met die lippen? Bij die gedachte krijg ik nieuwe, opkomende tranen in mijn ogen.
Dan zie ik ineens dat er allemaal bloemen om en naast zijn kist liggen. Prachtige bossen met veel kleur. Er zijn weinig witte bloemen gebruikt en raar genoeg stelt die gedachte me gerust.
Leon was een man met een warme en vrolijke persoonlijkheid. Deze kleuren passen bij hem. Bij de bloemen zie ik linten en kaarten, maar ik wil er nu niet naar kijken. Ik wil me nu concentreren op iets anders…
Ik geloof niet dat mensen je kunnen horen als ze overleden zijn. Ik denk dat iemand die komt te overlijden weg is en je niet meer kan horen of zien. Ook niet van een afstandje. Maar ik weet het natuurlijk niet zeker… dat weet niemand. Ik voel op dit moment de ongelooflijke drang om tegen Leon te praten. Om hem nog wat te zeggen. Want wie weet…
‘Leon,’ fluister ik, ‘ik moet je iets vertellen.’ Alsof ik een reactie verwacht, kijk ik naar zijn gezicht. Ik ga met de zijkant van mijn hand liefkozend over zijn wang, terwijl de eerste dikke tranen over mijn wangen druppelen.
Ik vergeet even alles en iedereen en zie de omgeving niet meer. De bloemen, de kist, het gordijn… Alles lijkt even weg te zijn.
Ik zie alleen maar Leon.
Mijn Leon, die daar zo doodstil ligt. Zijn mooie gezicht straalt zoveel rust uit… Hij ligt er kalm bij. Tevreden.
Maar dat kan toch helemaal niet? Hij was nooit, nooit tevreden geweest met dit einde. Hij zou willen weten hoe het verhaal verder gaat.
Ik moet het hem zeggen. Hem vertellen hoe óns verhaal verder gaat. Nu kan het nog, morgen is hij écht weg. Dan is zijn lichaam verdwenen en dan kan het écht niet meer. Ik moet het nu doen.
Langzaam buig ik voorover, totdat mijn hoofd vlak bij zijn gezicht is. Mijn tranen druppelen over zijn lip en voorzichtig veeg ik ze weg. Zijn koude huid blijft onwerkelijk voelen, maar het feit dat ik hém aanraak, voelt toch ook weer zo ontzettend vertrouwd. Ik adem voorzichtig in en sluit even mijn ogen.
Ik ben nu zo dicht bij hem… zo dicht bij…
Heel voorzichtig geef ik hem een kus op zijn wang. Mijn warme lippen raken zijn koude huid en ik voel de intense pijn vanaf mijn borstkas tot in mijn tenen.
Waarom?
‘Ik ben zwanger, Lé…’ fluister ik zachtjes.
Er komt geen reactie.
‘Ik heb een baby in mijn buik.’ De woorden komen er haperend uit. Ik snik en trek mijn schouders omhoog. Dan schud ik mijn hoofd.
Hij kan niet reageren.
Ik sluit mijn ogen als ik mijn lippen nog een keer zachtjes op zijn wang druk. Voorzichtig, alsof ik bang ben hem pijn te doen. Ik laat mijn hoofd voorover zakken en leg mijn voorhoofd op zijn voorhoofd. De tranen blijven stromen, ik snik een paar keer en voel me verschrikkelijk eenzaam. Zelfs nu ik zó dichtbij hem ben, is hij ongelooflijk ver weg. Onbereikbaar en toch binnen handbereik. Ik kan het niet plaatsen, niet verkroppen, en mijn hoofd vult zich met enkel gemis en pijn.
Ik heb het hem niet gezegd.
Ik blijf bij hem staan, mijn voorhoofd tegen zijn voorhoofd. Ik hoor bijna zijn troostende woorden, voel bijna zijn sterke armen om me heen en zijn warme handen die mijn rug zachtjes strelen.
Ik blijf muisstil staan, terwijl mijn tranen via mijn gezicht, zijn gezicht vinden.
De afgelopen jaren gaan in flitsen aan me voorbij en ik wil hem niet laten gaan. Ik wil hem niet loslaten.
Hij moet bij me blijven. Hij mag niet weggaan.
Ik sluit mijn ogen en probeer te genieten van het feit dat ik hem nog kan aanraken, dat ik hem nog kan zien.
Zal hij misschien ergens toch weten dat er nog een kindje van hem onderweg is?
Ik geloof het niet, maar mijn hoop is zo sterk… Ik wil het zo graag geloven.
Minutenlang blijf ik staan. Muisstil.
De tijd tikt voorbij en ik beweeg me niet. Mijn voorhoofd blijft tegen het zijne gedrukt en ik voel de kou van zijn huid door mijn lichaam trekken.
Dan ineens wordt het aardedonker in de kamer. Een hard, zoemend geluid komt onder Leons lichaam vandaan en ik schrik zo enorm, dat ik achteruitdeins en met mijn hoofd tegen de muur, achter me, aan knal.
Het is aardedonker en ik zie geen hand voor ogen. Mijn hart bonst in mijn keel en de angst slaat me om het hart. Ik zet mijn handen tegen de muur en houdt mijn adem in, terwijl ik voel hoe mijn hart tekeergaat.
Bijna direct gaat het licht weer aan en neemt het zoemende geluid weer af.
Met grote ogen en bevend van de schrik, sta ik nog steeds tegen de muur gedrukt en ik laat bijna fluitend mijn adem ontsnappen. Dan adem ik snel weer in en ik kijk naar Leon. Er is aan hem niks veranderd.
Wat. Was. Dat. 
Ik probeer logisch na te denken, maar ik word vasthouden door de paniek die diep vanbinnen door mijn buik raast, maar aan de buitenkant waarschijnlijk onzichtbaar is.
Weg. Ik moet hier weg.
Maar dan moet ik loslaten. Ik moet hem laten gaan…Ik laat de muur los en doe trillend een stap naar voren, richting Leon. Met mijn hand ga ik voorzichtig over zijn haar.
‘Morgenvroeg zie ik je nog,’ zeg ik zachtjes.
Dan geef ik hem een laatste kus.
Ik twijfel even, terwijl de berichtjes die ik gelezen heb voor de honderdste keer door mijn hoofd gaan.
‘Ik heb het je niet gezegd, Leon. In mijn laatste berichtjes, de laatste dagen… ik heb het niet tegen je gezegd.’ Ik begin weer te snikken en pak zijn schouders beet, in de vergeefse hoop om hem wakker te maken. Ik durf het niet aan om hem heen en weer te schudden, maar alles in mij schreeuwt dat dit niet waar kan zijn. De onmacht die ik bij deze situatie voel, de onwerkelijkheid.
Zal hij het horen?
‘Leon, ik hou zo ongelooflijk veel van jou,’ zeg ik, terwijl ik mijn hoofd op zijn borstkas leg. Mijn hoofd heeft honderden keren op zijn borstkas gelegen. Ik hoorde dan zijn hart bonzen en zijn handen gingen speels door mijn haren.
Nu is het stil. Geen bonzend hart. Alleen kou.
‘Ik hou van je,’ fluister ik nogmaals.
Ik houd mijn rechterwijsvinger en middelvinger naast elkaar, geef er een kus op en druk dan mijn vingers tegen zijn lippen als afscheid. Met gebogen hoofd en met lood in mijn schoenen loop ik bij hem weg. Bij de deur draai ik me nog één keer om.
‘Dag Leon.’
Ik werp hem nog een handkusje toe en sluit de deur, met pijn in mijn hart, achter me.

Ik blijf even stilstaan, met de klink in mijn hand, om op adem te komen. Dan loop ik naar buiten. Ik kijk niet om me heen, ik kijk niet achterom. Ik loop gewoon in één streep naar de auto en stap snel in. Als ik achter het stuur zit, zie ik dat mijn handen niet meer trillen. Het trillen is opgehouden.
Ik heb het hem gezegd.
Ik heb het hem echt gezegd.
Dan start ik de auto en rijd ik weg, terug naar huis.

Een uur later, als ik veilig thuis op de bank zit, gaat mijn telefoon. Ik zie dat het Gabriëlla is en ik neem direct op.
‘Met Esmee.’
‘Dag, Esmee, met Gabriëlla.’
‘Hai.’
‘Ben je al onderweg?’
‘Onderweg? Waar naartoe?
‘Naar het crematorium?’
Ik frons even mijn wenkbrauwen.
‘Hoe bedoel je? Naar het crematorium? De uitvaart is morgen.’
‘Dat klopt. We hebben afgesproken dat je even zou komen kijken naar de grote zaal.’
Hebben we dat afgesproken? Dan herinner ik me de woorden die Henk uitgesproken had. Oh god ja. Straal vergeten.
‘Sorry, Gabriëlla, ik kom eraan,’ mompel ik.
‘Oké. Dan zie ik je zo.’
‘Tot zo.’
Ik blijf even twijfelend op de bank zitten.
Wil ik dit echt?
Ik moet. Het moet. Voor Leon.
Ik loop de gang in, trek mijn jas en schoenen weer aan en stap weer in de auto.

De zaal is groot. De muren zijn wit geschilderd en op de vloer ligt een lichte vloer van laminaat.
Er staan rijen en rijen zwarte stoelen en helemaal vooraan staat een soort altaartje. Naast het altaartje staat een soort tafel in langwerpige vorm. Daar komt vast de kist op te staan. Aan de muren hangen grote schilderijen van brandende kaarsen en in het midden van de zaal hangt een grote kroonluchter.
Ik haal diep adem als ik rondkijk. Wat een stoelen, wat een ruimte. Ik vraag me af of we deze zaal helemaal vol gaan krijgen morgen.
Gabriëlla staat naast me en is ook even stil.
‘Wat vind je ervan?’ vraagt ze vriendelijk.
‘Groot,’ zeg ik zachtjes.
‘Ja, het is zeker groot. Maar ik denk dat we deze ruimte wel nodig hebben, Esmee. Ik verwacht veel mensen.’
Oh ja? Verbaasd kijk ik haar aan. Leon en ik komen allebei uit een kleine familie en daarnaast hebben we natuurlijk wel wat vrienden en collega’s die zullen komen, maar verder zullen er toch niet heel veel mensen komen? Maar goed, zij zal het wel weten. En eigenlijk maakt het me niet eens zoveel uit wie er komt. Waarschijnlijk zal het toch allemaal langs me heen gaan.
‘Wil je nog wat zeggen morgen, Esmee? We hebben het programma in principe klaar, maar voor jou is er natuurlijk ruimte overgelaten.’
Ik knik.
‘Ja, ik wil wat zeggen, maar ik weet nog niet wat.’
‘Dat hoeft ook nog niet. Misschien kan je er vanavond nog even voor gaan zitten.’
Ik knik. Misschien.
Ik kijk de grote zaal rond en net als Gabriëlla me wil laten zien waar de familiekamer is, hoor ik mijn telefoon gaan. ‘Basisschool’ staat er in beeld.
‘Momentje, alsjeblieft,’ mompel ik tegen Gabriëlla en ik keer haar mijn rug toe als ik opneem.
‘Hallo?’
‘Spreek ik met de mama van Jasper?’
Ik zucht even als ik de stem van Jannie hoor.
‘Ja, met Esmee.’
‘Jasper wil graag naar zijn vader toe. Hij heeft traantjes, toch Jasper?’
Mijn hart maakt een sprongetje. Staat Jasper naast haar?
‘Geef hem maar even aan de telefoon,’ zeg ik kort.
‘Ik weet niet of Jasper nu zo goed kan praten, mama van Jasp…’
‘Geef mijn zoon die telefoon!’ onderbreek ik haar, bijna schreeuwend.
Vanuit mijn ooghoek zie ik Gabriëlla achteruitdeinzen.

‘Mama?’ Zijn stemmetje is zacht. Verdrietig.
‘Ja, lieverd? Gaat het niet goed, schat?’
‘Mama, ik mis jou.’
Mijn hart breekt en ik houd mijn adem in. Mijn gezicht trekt wat en een immense spanning maakt zich van mij meester.
‘Ik kom je ophalen, schat.’
Het blijft stil.
‘Jasper?’ vraag ik
‘Gaan we dan eventjes naar papa?’ vraagt hij zachtjes.
Ik knik heftig, terwijl ik de opkomende tranen tegen probeer te houden.
‘Ja, als jij dat wilt gaan we naar papa.’ Ik druk mijn telefoon helemaal tegen mijn oor aan, in een poging om mijn zoon dichterbij te halen.
‘Oké,’ hoor ik zijn zachte stem.
‘Ik kom eraan, goed? Ik kom meteen naar je toe.’
‘Oké, mama, tot zo.’
‘Tot zo, schat.’
Ik draai me om en zie dat Gabriëlla aan de andere kant van de zaal staat.
Ik loop naar haar toe.
‘Ik moet gaan,’ zeg ik kort maar krachtig.
‘Dat dacht ik al. Ik zie je morgen.’
‘Tot morgen.’

Morgen.
Morgen is het zo ver…

Over Doodse Stilte

Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse Stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels.

VIVA's Lise gelooft in een poederroze planeet ergens hier ver, ver vandaan, waar Justin Bieber en Idris Elba samen president zijn en het altijd glitter giet. Zolang die planeet nog niet gevonden is, houdt Lise zich bezig met millennial perikelen en entertainment. Véél entertainment. Wil je me volgen op insta? @lisejasmijn, dan kan ik ook zien wie jij bent.