Doodse stilte #32: ‘Verschrikt kijk ik hem aan. De baby dood?’

doodse stilte saskia idema

Iedere week kun je op VIVA.nl een hoofdstuk lezen uit het ontroerende boek Doodse stilte van Saskia Idema. Ben je klaar voor een nieuw hoofdstuk…?

Ik loop met grote passen het schoolplein over, de school in en regelrecht naar het kantoor van de directrice.
Alles in mij schreeuwt dat ik mijn kleine mannetje zo snel mogelijk in mijn armen moet nemen. Onrustig loop ik door de gangen en ik vloek binnensmonds als ik bijna struikel over een verdwaalde rugtas.
Als ik voor het kantoor sta, klop ik zachtjes en ik loop naar binnen.
Ik zie dat Jannie in gesprek is met twee vrouwen. Ik kijk het kantoor rond, maar zie mijn zoon nergens.
Jannie kijkt op als ze mij ziet.
‘Dag, mama van Jasper,’ zegt ze.
Ik doe mijn best om niet met ogen te rollen.
‘Waar is Jasper?’ vraag ik, zonder haar te groeten. Het maakt me niets uit dat ik onbeleefd klink.
‘Jasper is even buiten aan het spelen met de rest van zijn klas.’
Oh. Huh?
Ze ziet mijn verbaasde blik.
‘Ik moest eventjes kletsen met deze dames hier, dus ik heb Jasper gevraagd of hij even buiten wilde spelen.’
Ik slik. Ik ken mijn zoon. Hij heeft soms wat moeite om voor zichzelf op te komen en ik ben bang dat hij zich onder druk gezet voelde om naar buiten te gaan, terwijl hij daar eigenlijk geen zin in heeft.
Zonder nog iets te zeggen, sluit ik de deur en ik loop terug naar het schoolplein, waar ik zojuist nog overheen gelopen ben. Ik was zo in gedachten en liep zo haastig dat ik hem niet heb gezien.
Als ik de buitendeur open, schieten mijn ogen over de kolonie van kinderen. Het is een wirwar van vrolijke gezichtjes. Kinderen die gierend van het lachen van de glijbaan gaan, vier meisjes, die een zandkasteel proberen te bouwen van het mulle zand in de zandbak, en kinderen die rennend over het schoolplein racen.
Mijn ogen zoeken de blonde haartjes van mijn zoon, zijn donkerblauwe jas en zijn mooie blauwe ogen, maar ik zie hem niet. Ik voel dat ik wat onrustig word, als ik ineens mijn naam hoor.
‘Esmee!’
Ik draai me om naar het geluid en zie juf Monique op een bankje zitten, die tegen de bruine, bakstenen muur van de school aanstaat. Bij haar op schoot zit een jongetje met twee grote, blauwe en verdrietige ogen. Zijn mondhoeken zijn naar beneden gedraaid en hij zit verdrietig voor zich uit te staren.
Jasper.
Hij ziet mij niet. Hij lijkt in gedachten verzonken en ik zie de hand van Monique langzaam en liefdevol over zijn rug wrijven.
Mijn hart breekt.
Zo snel als ik kan, loop ik naar hem toe. Als hij mij in het vizier krijgt, strekt hij meteen zijn armen naar me uit en ik til hem van de schoot van Monique af.
Hij grijpt me vast en klemt zijn armpjes om mijn nek. Zijn gezicht nestelt hij in mijn jas.
‘Mama,’ zegt hij zachtjes.
Ik voel een snik in mijn hals en ik krijg tranen in mijn ogen. Ik vergeet even dat ik op het drukke schoolplein sta.
Het geschreeuw van de vrolijke kinderen, het gegier bij de glijbaan… ik hoor het allemaal niet meer. Ik ben alleen maar gefocust op mijn kleine mannetje.
Ik leg mijn hand op de achterkant van zijn hoofdje en houd mijn mond bij zijn oor.
‘Mama is hier,’ fluister ik.
Monique geeft ons eventjes de ruimte en als Jasper zijn hoofd heft, zie ik dat hij tranen in zijn ogen heeft staan. Er is één traan die loskomt van zijn oog en over zijn wang naar beneden sijpelt.
Met mijn duim veeg ik zijn traan zachtjes weg en ik geef hem een zachte kus op zijn voorhoofd.
‘Ga je met mij mee, lieverd?’ vraag ik zachtjes.
Jasper knikt en nestelt zich weer met zijn hoofdje in mijn hals.
‘Ik heb zijn rugtas alvast meegenomen,’ hoor ik Monique zeggen, die me de rugtas aangeeft.
‘Dankjewel. Wat is er gebeurd?’ vraag ik.
‘Hij was eerst heel fijn aan het spelen en in de kring zat hij te lachen. Maar toen vertelde een ander kindje uit zijn klas dat ze van haar vader een cadeautje had gekregen. Daar werd hij verdrietig van en ik kon hem niet meer afleiden. Hij zei dat hij naar zijn vader wilde, maar ik wist niet of dat een optie was. Dus ik heb Jannie opgezocht en zij heeft jou gebeld…’
Ik knik.
‘Dankjewel, Monique,’ zeg ik.
‘Wil je nog naar papa?’ vraag ik, terwijl ik mijn hoofd weer naar Jasper toe draai.
Hij knikt in mijn hals.
‘Oké, dan gaan we.’
‘Morgen is de crematie. Ik zie wel wanneer ik hem weer breng deze of volgende week,’ geef ik bij Monique aan.
Monique knikt.
‘Natuurlijk, neem je tijd, Esmee.’
Wat hebben we een geluk met deze lieverd.
‘Nogmaals dankjewel, tot binnenkort.’
Ik zie dat Monique tranen in haar ogen heeft staan. Ze legt haar hand op Jaspers schouder.
‘Dag, lieve Jasper, tot binnenkort,’ zegt ze zachtjes.
Ik glimlach voorzichtig.
‘Dag, juf,’ mompelt hij.
Dan loop ik met hem het schoolplein af. Mijn kleuter, die nu ineens weer zoveel kleiner lijkt, in mijn armen. Ik moet mijn best doen om mijn tranen weg te slikken.
Niet hier.
Niet nu.
Haperend haal ik adem, terwijl ik met grote stappen richting de auto loop.

Daar aangekomen laat ik Jasper los en ik zet hem in zijn autostoel. Ik controleer drie keer of hij goed vast zit en vraag ondertussen wat hij gedaan heeft op school. Ik krijg geen antwoord.
‘Gaan we nu meteen naar papa?’ vraagt hij alleen.
Mijn ogen zoeken zijn de zijne.
‘Weet je zeker dat je naar papa toe wilt?’
‘Ja.’
‘Oké, dan gaan we.’

Ik houd Jaspers hand stevig vast als ik de sleutel in het slot steek. Jasper heeft een bekertje water in zijn hand en ik een nieuw kopje koffie.
‘Het is papa maar, toch?’ fluistert Jasper.
‘Ja, schat, het is echt papa.’
Ik open de deur en het zoemende geluid neemt af. De sleutel van de deur verdwijnt in mijn jaszak en ik pak met mijn vrije hand Jaspers hand vast, terwijl ik hem onderzoekend aankijk.
Ik knijp zachtjes in zijn handje en ik zie hem angstig de kamer binnenkijken.
Er gaat een scheut van twijfel door me heen. Moet ik hem nu naar binnen begeleiden of moet ik hem op zijn eigen tempo laten gaan?
Jasper beslist voor me en doet voorzichtig een stap naar binnen.
‘Hai, papa,’ zegt hij vanuit de deuropening. Zijn gezicht betrekt iets.
‘Papa zegt niets terug,’ zegt hij.
Ik loop naar voren en zet mijn koffie op tafel. Mijn kopje van die ochtend is verdwenen.
‘Nee, schat, papa kan niks meer terugzeggen. Maar misschien hoort hij ons wel.’
Jasper fronst zijn wenkbrauwen.
‘Werken zijn oren dan nog wel?’
‘Nou nee…’
‘Hoe kan hij ons dan horen?’
Eh.
‘Sommige mensen geloven, dat als iemand dood is, dat ze dan nog eventjes bij ons zijn en toch nog dingen horen.’
Jasper is even stil en ik zie dat hij de woorden op zich in laat werken.
‘Ben jij ook zo’n sommige mens?’
Ik glimlach. ‘Ik weet het niet, schat.’
Mijn gedachten gaan eventjes naar die ochtend, toen ik Leon verteld heb van de zwangerschap. Ik hoop dat hij me gehoord heeft, hoewel ik er niet in geloof. Maar elke vezel in mijn lichaam schreeuwt dat hij het gehoord moet hebben. Dat moet.
Jasper knikt wijs met zijn hoofd, terwijl hij zijn neus iets optrekt. Ik ben benieuwd wat er nu door zijn hoofd gaat. Zal hij denken dat ik niet goed wijs ben?
Dan loopt hij ineens in één streep naar de kist. Hij komt, met zijn gezicht, net boven de rand van de kist uit en kijkt naar zijn vader.
‘Papa kijkt wel een beetje chagrijnig,’ zegt hij dan.
Ik sluit langzaam de deur en loop naar hem toe.
Als ik de twee evenbeelden zo naast elkaar zie, maakt mijn hart een sprongetje en ik voel een druk op mijn borst.
Jasper kijkt onderzoekend naar Leon en legt dan zijn kleine handje op de grote hand met trouwring. Als hij zijn vader heeft aangeraakt, deinst zijn hand terug.
‘Oh! Papa is koud! We moeten hem een deken geven, straks wordt hij ziek.’
Ik pers mijn lippen op elkaar en ga door mijn knieën, zodat ik op ooghoogte van mijn zoon zit.
‘Lieverd, papa kan niet meer ziek worden. Papa is koud, omdat hij overleden is. Dat is een beetje een naar gevoel, maar daar kunnen we niets aan doen. Papa voelt niks meer, dus hij heeft het niet koud.’
Jaspers grote, blauwe ogen boren door die van mij heen.
‘Papa voelt niks?’ vraagt hij.
‘Nee.’
‘Hij heeft het echt niet koud?’
‘Nee.’ Ik slik.
‘Maar papa kan ons wel horen?’
‘Dat hoop ik, jongen.’
Hij draait zijn hoofd naar zijn vader en kijkt hem met een frons aan.
‘Dat is wel een beetje gek, mama.’
Ondanks de situatie moet ik glimlachen.
‘Ik weet het niet precies,’ zeg ik.
‘Maar mama, jij en papa weten toch alles?’
Ik adem voorzichtig in.
‘We weten heel veel, maar dit niet, schat. Dit is ook voor mama nieuw.’
‘Oh,’ zegt Jasper.
Hij kijkt weer naar zijn vader en haalt dan zijn schouders op.
‘Zullen we gaan, mama?’
Een beetje verbaasd kijk ik hem aan.
‘Als jij wil gaan, dan gaan we,’ zeg ik.
‘Ik wil eerst een slokje water nog.’ Jasper loopt naar de tafel en gaat op een stoel zitten. Hij pakt zijn water en neemt een flinke slok.
Ik blijf even staan en kijk naar Leon. Wat is hij toch mooi. Ik zucht en leg even mijn hand op de zijne.
‘Mama, deze kamer is wel erg paars hoor,’ hoor ik Jasper zeggen.
Ik kan een glimlach wederom niet onderdrukken.
‘Niet mooi?’ vraag ik, terwijl ik zacht in Leons hand knijp.
‘Het is een beetje een meisjeskamer.’
Ik laat Leons hand los.
‘Ik denk dat papa dit ook wel mooi had gevonden, denk je niet?’ vraag ik.
‘Nee. Maar als jij dood gaat, lig jij dan ook in deze kamer?’
Verschrikt kijk ik op en ik loop rustig naar Jasper toe.
‘Ik ga niet dood, Jasper.’
‘Dat weet je toch niet? Je wist toch ook niet dat papa dood ging?’
Ik hurk voor hem en kijk hem aan.
‘Lieverd, ik blijf voor altijd bij jou. Voor altijd.’
Ik weet wel dat ik dat niet kan beloven, maar ik moet hem gerust stellen.
Het moet.
Ik laat hem nooit in de steek.
Nooit.
‘Oké, zegt hij twijfelend.
Ik kom overeind en ga op de stoel naast hem zitten. Voorzichtig neem ik een slokje van mijn koffie.
Ik zie dat Jasper in gedachten is verzonken en ik vraag me wederom af waar hij allemaal aan denkt.
‘Gaat het?’ vraag ik.
‘Nou mama, de baby is ook dood toch?’
Verschrikt kijk ik hem aan. De baby dood?
Onbewust leg ik een hand op mijn buik en ik houd even mijn adem in.
‘Wat bedoel je, Jasper?’
‘De baby die jij in je buik had, toch?’
Ik haal haperend adem.
‘Ja, dat klopt.’
‘Maar die hebben we nog nooit gezien, toch mama?’
‘Nee, die hebben we nooit gezien.’
‘En nu komt er nooit meer een papa en nooit meer een baby?’
Eh…
‘En die zien we dan ook nooit meer?’ vraagt Jasper.
Fuck.
‘We zien papa nooit meer, nee.’
‘En de baby ook niet, toch?’
‘Nou Jasper, je weet maar nooit wat er nog gaat gebeuren.’
Hij kijkt me aan.
‘Ja, ja…’ zegt hij. Ik hoor een kopie van Leon. Dat zei Leon ook zo vaak tegen de kinderen als er iets gebeurde waar hij zijn twijfels bij had.
In stilte drinken we allebei ons drinken op.
‘Moeten we papa hier nou helemaal alleen laten?’
Ik knik.
‘Ja… maar we kunnen ook nog even blijven als je dat fijn vindt.’
Jasper is even stil en denkt na.
‘Papa mag een knuffel.’
Ach, de schat.
‘Dat is lief jongen, ga papa maar knuffelen.’
‘Nee, papa mag mijn knuffel hebben. Die zit in mijn rugtas.’
Ik slik even.
‘Wil je papa jouw knuffel geven?’
Jasper knikt heftig.
‘Dan is papa niet alleen. Dan mag de knuffel met papa mee.’
Ik knik, terwijl mijn ogen vollopen met tranen.
‘Dat is ongelooflijk lief van jou, schat.’

Samen lopen we naar de auto. Ik haal zijn blonde labradorknuffel uit zijn tas en houd hem omhoog.
‘Weet je dit zeker, jongen?’ vraag ik.
‘Ja, kom!’ roept Jasper enthousiast.
Wat verdwaasd loop ik achter hem aan, terwijl hij weer naar de deur van het uitvaartcentrum loopt.
Ik doe de deur open en Jasper loopt in één streep naar zijn vader. Hij kijkt even naar zijn hond, geeft zijn hond dan een kus en legt hem op de borst van Leon.
De tranen stromen me over de ogen van dit ontroerende tafereel.
‘Dag, papa. Dag, hond,’ zegt Jasper zachtjes.
Dan kijkt hij mij aan.
‘Nu is papa niet meer alleen, toch mama?’
Ik knik door mijn tranen in en haal mijn neus op.
‘Dat is echt heel erg lief van jou, schat.’
‘Dag, papa,’ zegt Jasper nog een keer zachtjes.
Dan pakt hij mijn hand vast en we lopen samen de deur uit…

Over Doodse Stilte

Op VIVA kun je iedere week een nieuw hoofdstuk van Doodse Stilte lezen. Lees jij liever dit prachtige boek in een keer uit? Je kunt het hier bestellen.

Over Saskia Idema

Saskia komt uit Hengelo en is docente, schrijfster en bovenal moeder. Moeder van maar liefst drie kinderen: Niels (2010), Lieke (2012) en Emma (2016). Al van jongs af aan is schrijven haar uitlaatklep voor alle bizarre, mooie en pijnlijke hersenspinsels.