Doodse stilte, een extra lang hoofdstuk: ‘Ik knik heftig. Kom op, voor de draad ermee’

doodse stilte saskia idema

Na de pauze van afgelopen week, presenteren wij nu als kers op de taart… een extra lang hoofdstuk van Doodse Stilte!

Vorige keer:
De avond voor de crematie:
Esmee doet de voordeur open en ziet politieagent Marc staan…

Met knikkende knieën loop ik Marc voor naar de woonkamer. Er schiet van alles door mijn hoofd.
Mijn vader? Zou hij onderweg een ongeluk hebben gehad?
Joke? Is er iets gebeurd toen ze terugreed naar huis?
Vera?
Frederik?
Ik haal snel en diep adem. Mijn borstkas schiet op en neer en ik merk dat ik mijn kiezen stijf op elkaar druk van spanning.
Als we in de woonkamer aankomen, draai ik me om naar Marc.
‘Liggen de kinderen in bed?’ vraagt hij vriendelijk.
Ik knik heftig. Kom op, voor de draad ermee.
Marc zucht diep en kijkt me aan.
‘Esmee, ik vind het erg vervelend dat ik je hiermee moet lastigvallen op dit moment. Ik weet dat je andere dingen aan je hoofd hebt,’ zegt hij.
Met ogen zo groot als schoteltjes kijk ik hem aan. Zeg nou gewoon wat je komt doen!
‘Zegt de naam Fenna je iets?’ vraagt hij.
Mijn hoofd schiet een stukje naar achteren en ik adem diep in via mijn neus. Ik houd mijn adem even vast als ik vragend naar Marc kijk.
‘Hoezo?’ vraag ik voorzichtig.
‘Ken je haar?’ vraagt hij weer.
Ik laat mijn adem ontsnappen en knik langzaam, terwijl mijn ogen de zijne niet loslaten.
‘Zoiets,’ zeg ik zachtjes.
‘Kan je me over haar vertellen?’ vraagt Marc.
‘Wacht even,’ begin ik, ‘ga je me nou vertellen dat je hier bent voor Fenna?’
‘Ja?’ Marc kijkt me geschrokken aan. ‘Wat dacht jij dan?’
Ik voel de spanning langzaam van mijn schouders afglijden.
‘Ik dacht dat er nog iemand dood was,’ zeg ik zachtjes.
De blik in Marcs ogen wordt zachter en zijn wenkbrauwen gaan een stukje omhoog.
‘Oh, Esmee… Sorry… Ik wilde je niet laten schrikken,’ zegt hij.
Opgelucht adem ik opnieuw in. Mijn hart bonkt nog steeds in mijn keel en ik blijf zijn ogen vasthouden.
‘Het is oké,’ hoor ik mezelf zeggen. Ik vraag me af of ik hem gerust probeer te stellen of mezelf.
Hij draait zijn ogen van me af en kijkt even naar de grond.
‘Fenna?’ vraagt hij dan zachtjes.
Onderzoekend kijk ik hem aan. Waarom komt hij hiervoor aan de deur? Wat heeft hij hiermee te maken? Waarom komt hij hier nu mee?
Ik zie zijn ogen langzaam de mijne vinden en ik knipper een paar keer. Zijn ogen lijken zo ongelooflijk veel op die van Leon, het is bijna eng.
Ik geef bewust geen antwoord. Ik moet dit even tot me door laten dringen en nadenken wat voor antwoord ik ga geven.

~~

‘We moeten naar de politie!’ roep ik.
‘Wij gaan niet naar de politie,’ reageert Leon overdreven rustig op mijn uitspraak.
‘Leon, we moeten gewoon naar de politie gaan!’
‘Esmee, we gaan niet naar de politie.’
‘Hoe kan je nou zeggen dat we niet naar de politie gaan? We moeten dat kreng toch zien te vinden?’
‘Alsof de politie ook maar iets voor ons kan doen,’ zegt Leon, nog steeds rustig.
‘En hoe zie je het dán voor je?’ snauw ik mijn man toe.
‘Geen zorgen. Als ik haar vind, dan wordt het geregeld.’ Mijn man kijkt me niet aan. Hij bladert langzaam door een tijdschrift.
‘Poeh, poeh. Dan wordt het geregeld? Leon de maffiabaas die deze griet wel even een lesje leert… of hoe moet ik dat precies voor me zien?’
Hij stopt met bladeren en zijn ogen vinden de mijne. Ze stralen een extreme rust uit, vastberaden en zelfverzekerd.
‘Maak je niet druk, het wordt geregeld,’ zegt hij wederom.
‘Je denkt toch niet serieus dat ik daar genoegen mee neem?’ vraag ik hem.
‘Esmee, we hebben het er nog over.’ Zijn ogen laten de mijne los en hij begint weer te bladeren in het tijdschrift.
Ik kook vanbinnen. Waar, in godsnaam, haalt hij het lef vandaan? Hoe durft hij mij buiten te sluiten van zijn plannen. Wat zijn trouwens zijn plannen? Waarom doet hij zo bizar zelfverzekerd en waarom wil hij de politie hierin niet betrekken?
‘We hebben het er nog over?’ herhaal ik zijn woorden. ‘Wat denk je zelf, Leon?’ vraag ik. ‘Misschien moet je even héél rap normaal gaan doen en mij gewoon betrekken in dit hele verhaal.’ Ik voel dat ik sta te trillen op mijn benen van woede. De onmacht, de frustratie en de onwetendheid zorgen ervoor dat ik bijna uit mijn vel knap.
Leon legt met een harde knal het tijdschrift op tafel en springt overeind. Zijn ogen staan fel en zijn gezicht wordt deels verborgen door een donkere schaduw van de staande lamp in onze woonkamer. Zijn normaal felblauwe ogen lijken hierdoor bijna zwart en van schrik doe ik een stap achteruit.
‘Ze komt hier niet mee weg,’ sist hij.
Met grote ogen kijk ik hem aan. Wat is er gebeurd met mijn man? Wat doet hij?
‘Esmee, ik garandeer je dat ik haar vind. En dan zal zij voelen wat wij hebben gevoeld.’
Mijn mond valt een klein stukje open en mijn ademhaling versnelt.
‘Leon…’ begin ik. Mijn stem klinkt angstig, overdonderd en ik schud langzaam mijn hoofd.
‘Ik wil er niks meer over horen, Esmee! Ik zal haar vinden en dan merk je het wel,’ snauwt hij me toe.
Hoewel ik met de liefde van mijn leven in mijn eigen woonkamer sta, voel ik me ongelooflijk alleen. Ik ken mijn eigen man niet meer. Mijn rots in de branding, mijn lieve en gevoelige Leon, de vader van mijn kinderen… Hij is zichzelf niet meer. Hij is slechts nog een schim van zichzelf.
Een angstaanjagende schim.
Hij wil langs me heen lopen en als laatste redmiddel steek ik mijn hand naar hem uit en grijp zijn arm vast. De arm die me letterlijk opving bij onze eerste ontmoeting. De arm die ik stiekem bekeken heb vanonder het dekbed de volgende dag. De arm die me ondersteund heeft toen ik, schreeuwend van de pijn, onze kinderen kreeg. De arm die me gedragen heeft toen ik bloedend op de grond lag, wachtend op de ambulance.
Leon blijft stilstaan als hij mijn hand voelt. Zijn ogen volgen de contouren van mijn gezicht, gaan langs mijn schouder en arm en uiteindelijk kijkt hij naar mijn hand, die zijn arm vasthoudt. Ik zie dat hij zijn ogen even sluit en me vervolgens indringend aankijkt. Dan legt hij zijn hand op mijn hand.
‘Niemand. Niemand komt aan mijn vrouw en kinderen,’ fluistert hij.
Hij maakt mijn hand zachtjes los, terwijl hij me met een intense blik aan blijft kijken en loopt de voordeur uit, mij alleen achterlatend.

~~

‘Marc, waarom ben je hier?’ vraag ik de politieagent.
Hij kan het niet weten. Het kan niet.
Marc zucht.
‘We hebben het vermoeden dat Fenna kwade bedoelingen heeft gehad, Esmee.’
Ik slik even. Hij moest eens weten wat ze al aangericht heeft.
‘Hoe bedoel je, kwade bedoelingen?’
‘Ga even zitten, Esmee.’
Twijfelend kijk ik hem aan.
‘Oké…’ mompel ik, terwijl ik plaats neem op de bank. Marc neemt, op gepaste afstand van mij, ook plaats op de bank.
‘We kregen deze week een tip van iemand. Een appartement, aan de andere kant van de stad, leek al een paar weken onbewoond en er kwam een nare geur uit de woning. Ik ben met collega’s gaan kijken en wat we aantroffen was… nou… zorgwekkend te noemen…’
Ik frons even mijn wenkbrauwen.
‘En wat heb ik daarmee te maken?’ vraag ik.
‘We hebben de woning doorzocht. We hebben niemand gevonden… wel kwamen we een kamer tegen die helemaal vol hing met foto’s en krantenknipsels…’ zegt Marc.
Nee.
Heeft Leon een appartement gehuurd? Is hij daar verder gegaan met zijn onderzoek, nadat hij mij beloofd had om ermee te stoppen?
Met grote ogen kijk ik Marc aan.
‘Leon?’ fluister ik.
‘Inderdaad met foto’s van Leon, maar ook met foto’s van jou en jullie kinderen.’
Wederom frons ik mijn wenkbrauwen.
‘Ik snap er niks van. Waarom zou Leon een kamer volhangen met foto’s van zijn eigen gezin?’ vraag ik.
In de studeerkamer boven had Leon vooral krantenknipsels, landkaarten en andere dingen hangen. Foto’s van ons gezin zaten er niet bij.
Marc kijkt me aan.
‘Leon heeft het appartement niet gehuurd. Het appartement stond op naam van Fenna de Vries.’
Stomverbaasd kijk ik hem aan.
Huh?
Wat?
‘Naar aanleiding van de grote hoeveelheid foto’s die er hingen, is er een onderzoek naar haar gestart. Het blijkt dat deze jongedame vroeger bij Leon op school heeft gezeten. Tevens bleek dat ze tegelijkertijd met jullie in Griekenland was. Klopt het dat jij daar een miskraam hebt gehad?’
Met open mond staar ik hem aan.
‘Ja,’ fluister ik, amper hoorbaar.
‘Fenna gebruikt zware medicijnen. Ze heeft psychische problemen en is al vanaf haar vijftiende onder behandeling van een psychiater. Deze medicijnen houden haar in toom en zorgen ervoor dat ze geen rare gedachtes en hallucinaties krijgt.’
Hij is even stil en haalt diep adem, voordat hij verder praat.
‘Echter heeft ze nu al een tijdje geen nieuwe medicijnen opgehaald bij de apotheek. Dat is één keer eerder gebeurd en toen was ze even uit het zicht van diverse instanties…’ zegt Marc.
‘Wanneer is dit eerder gebeurd?’ vraag ik zachtjes.
Marc is even stil.
‘Vlak voordat jullie in Griekenland waren,’ zegt hij voorzichtig.
Ik haal haperend adem. ‘En nu is ze weer uit beeld?’
Marc haalt zichtbaar diep adem en kijkt me aan. Hij wacht even voordat hij me antwoord geeft.
‘Ja.’
‘En waarom kom je dit aan mij vertellen?’ vraag ik. De angst in mijn stem is duidelijk te horen.
‘We hebben een laptop gevonden in haar appartement. Hier hebben we schokkende informatie op gevonden.’
‘Nog meer?’ vraag ik.
‘Ze heeft in het verleden gezocht naar medicijnen die gevaarlijk zijn tijdens een zwangerschap… ze heeft iets later zoekwoorden gebruikt als “de perfecte moord” en uiteindelijk naar “remmen onklaar maken van een auto”.’
Met open mond staar ik hem aan.
Is dit serieus? Is dit echt?
‘We vermoeden dat ze, onder valse voorwendselen, een stageplek heeft gezocht bij het uitvaartcentrum.’ Zijn blauwe ogen blijven me aankijken.
‘Ze heeft namelijk ook gezocht op “zeker weten dat iemand dood is”.’
Ik schud mijn hoofd. Dit kan niet waar zijn, dit kan echt niet waar zijn.
‘En waar is ze nu?’ vraag ik.
Marc kijkt naar de bank en frutselt aan een onzichtbaar pluisje.
‘Dat weten we niet,’ zegt hij zachtjes.
Ik adem diep in via mijn neus en adem uit via mijn mond. Ik word overvallen door een vlaag van misselijkheid en denk aan de kleine wurm in mijn buik.
‘Nee, dit meen je niet…’ mompel ik.
‘Ik kom je waarschuwen, Esmee.’
‘Je komt me waarschuwen,’ herhaal ik in trance, terwijl ik mijn hand beschermend op mijn buik leg.
‘Je moet goed uitkijken. Ga niet alleen de straat op, houd je kinderen in de buurt en doe je deuren en ramen op slot.’
‘Op slot…’ herhaal ik knikkend.
‘We weten niet wat haar volgende stap zal zijn.’
‘Heeft ze Leon vermoord?’ vraag ik.
‘Het onderzoek loopt nog, maar we hebben sterke vermoedens dat zijn remmen niet goed werkten en dat hij de vrachtwagen daardoor niet kon ontwijken op de snelweg. Ik heb van de week al aan je vader verteld dat we dat vermoeden hadden, maar toen hadden we nog geen link met Fenna.’
‘Oh,’ mompel ik. ‘Mijn god.’
Ik voel me verdoofd en in shock. Het dringt bijna niet tot me door wat hier gaande is.
‘Denken jullie dat ze mij of mijn kinderen wat aan wil doen?’
Marc schudt zijn hoofd.
‘We denken dat er vroeger iets is gebeurd tussen Leon en Fenna. Dat ze een bepaalde wrok tegen hem koestert en dat dat haar motief is geweest. We denken niet dat je direct gevaar loopt, omdat ze haar doel heeft bereikt. We willen echter geen enkel risico lopen, daarom kom ik je nu waarschuwen.’
Haar doel heeft bereikt…
‘Haar doel was om Leon uit de weg te ruimen?’ vraag ik.
Marc haalt zijn schouders op.
‘Dat denken we wel, het spijt me.’
Ik sta met trillende benen op en loop richting de keuken. Daar zet ik mijn handen tegen het aanrecht en laat mijn hoofd naar voren zakken.
In door de neus, uit door de mond. 
Heeft Leon dit geweten? Heeft hij me daarom geen informatie gegeven? Was hij daarom zo obsessief bezig met zijn zoektocht?
‘We doen er alles aan om haar te vinden,’ zegt Marc vanaf de bank.
Ik knik heftig. ‘Ja, dat geloof ik.’
‘Maar waar kán ze zijn?’ vraag ik hem.
‘We hebben overal gezocht waar ze zou kunnen zijn. We hebben geen idee… Ze heeft al dagen geen geld opgenomen, haar telefoon is niet te traceren en familie en vrienden hebben al jaren niks van haar gehoord.’
‘Al jaren,’ herhaal ik.
Marc staat op en loopt naar me toe. ‘Die vrouw is knettergek, Esmee. En nu ze geen medicijnen meer heeft, weten we niet waar ze nog meer toe in staat is, dus wees voorzichtig, alsjeblieft.’
Ik laat het aanrecht los en draai me naar hem om. Zijn medelijden komt vanuit zijn tenen en wordt uitgestraald via zijn ogen.
‘We gaan vannacht surveilleren bij je huis, als je dat fijn vindt.’
‘Surveilleren?’ vraag ik verbaasd.
‘Ja, collega’s gaan dan in burgerkleding je huis in de gaten houden.’
‘Maar je zegt net dat jullie geen gevaar verwachten. Dat ze haar doel bereikt heeft.’
‘Dat klopt, maar we weten het niet zeker, Esmee. Nogmaals, we willen geen enkel risico lopen.’
‘Oké. Ik snap het.’
Ik haal trillend adem.
Dit is te veel. Dit kan niet. Niet nu.
Morgen moet ik afscheid nemen van mijn man. Dan is de crematie. Ik kan dit er niet bij hebben. Het dringt niet tot me door.
‘Doe maar,’ zucht ik. ‘Doe maar wat jullie denken wat goed is.’
Marc knikt.
‘Kan ik nog iets voor je betekenen? Heb je vragen?’ vraagt hij vriendelijk.
Ik schud wild met mijn hoofd. ‘Nee, ik wil niks meer weten. Ik wil gewoon rust nu.’
Marc knikt weer. ‘Dan laat ik je met rust. Houd je telefoon bij de hand en bel meteen 112 als je iets opvallends hoort of ziet.’
Ik reageer niet, maar open de gangdeur en ga hem voor naar de voordeur. Ik hoor dat hij achter me aan loopt en ik trek de voordeur open.
‘Dat doe ik,’ beloof ik uiteindelijk. 
‘Sterkte, Esmee.’ Zie ik het nou goed en heeft hij waterige ogen?
‘Dank je,’ fluister ik. En dan sluit ik de deur achter hem.

Mijn kledingkast lijkt ineens ongelooflijk groot. Mijn ogen speuren langs de kleren, zoekend naar de zwarte, nette broek die ik zelden draag. De zwarte broek die af en toe uit mijn kast komt voor een begrafenis of crematie. De broek die ik vandaag wil dragen. Of tenminste, de enige die me passend lijkt.
Mijn ogen zijn dik en rood en mijn gezicht zit vol rode vlekken van het huilen.
Wat een nacht…
Gisteravond is mijn vader nog geweest. Ik heb hem niks gezegd. Niet over Fenna, niet over de kleine wurm in mijn buik. Helemaal niks.
Het zou hem alleen maar ongerust maken, terwijl Marc heeft gezegd dat er waarschijnlijk geen gevaar meer is.
Ze heeft haar doel bereikt. Ze heeft mijn kind en vervolgens mijn man van me afgenomen.
Ik vind haar wel. Ik vind haar voordat de politie haar in de vingers krijgt… en dan… ja, dan weet ik het nog niet. Maar in ieder geval heeft ze dan een groter probleem, dan wanneer de politie haar te pakken krijgt.

Vandaag is het zover. Vandaag is de crematie van Leon.
Met trillende handen pak ik de broek, die ik inmiddels achterin de kast gevonden heb. Beneden hoor ik geluiden van mijn vader en Vera die de kinderen bezighouden en ik zucht.
Vandaag wordt de moeilijkste dag uit mijn leven. Ik moet afscheid nemen van mijn man. Mijn maatje. Mijn beste vriend.
Langzaam duw ik mijn voeten één voor één in de broekspijpen en trek de broek over mijn knieën en heupen. Hij voelt losser dan ik gewend ben en ik werp een blik in de spiegel. Het zit inderdaad een beetje losjes. Ben ik dan zoveel afgevallen?
Nou ja, het moet maar…
Ik kijk in mijn kast en zie een zalmroze blouse hangen. Een simpel, elegant en ietwat chique blouse. Prima. Even een wit hemdje eronder, mijn zwarte colbertje erover en dan ben ik klaar.
Ik trek de kleren langzaam aan en als ik klaar ben, bekijk ik het totaalplaatje in de spiegel.
Mijn haren zijn nog nat van de douche, maar ik ben redelijk tevreden over mijn kledingkeuze. Het kan ermee door en ik loop niet ongelooflijk voor lul, denk ik. Ik pak een borstel uit mijn nachtkastje en begin mijn haren te borstelen.
Zo.
Vera komt zo naar boven om me te helpen met mijn haar en make-up. Niet dat ik er als een fotomodel uit wil zien, maar ik wil er wél netjes uitzien. Ik zie er zo afgrijselijk afgemat uit, dat ik hier wat hulp bij gevraagd heb.
Mijn ogen vliegen langs de trouwfoto die boven ons bed hangt. Wat zagen we er heerlijk gelukkig uit. Ik voel tranen in mijn ogen opwellen en kijk snel de andere kant op. Niet nu.
Dan pak ik mijn telefoon om mijn vriendin een berichtje te sturen of ze naar boven wil komen. Ik plof op het bed en merk dat ik mijn kin tegen mijn borst leg.
Vrijwel direct hoor ik de voetstappen van Vera op de trap en als ze de slaapkamer binnen komt, kijk ik haar verdrietig aan.
‘Dag, lieverd,’ zegt ze zachtjes, terwijl ze naast me gaat zitten.
‘Hai,’ antwoord ik.
Haar ogen gaan langs mijn kleding en ze knikt goedkeurend. ‘Zelfs op een dag als vandaag zie je er prachtig uit,’ zegt ze lief.
Ik probeer er een glimlach uit te persen, terwijl ik haar aankijk.
‘Wat wil je met je haar?’ vraagt ze zachtjes.
Ik haal mijn schouders op. Het maakt me niet uit. Of eigenlijk wel, maar ik weet het gewoonweg niet. Ik heb geen ruimte in mijn hoofd om hierover na te denken. 
‘Zullen we het opsteken?’ vraagt ze zachtjes, terwijl ze met haar rechterhand mijn haren iets omhoog drukt.
‘Prima,’ antwoord ik zachtjes.
Ik zie haar slikken en zie dan pas dat ze een klein toilettasje in haar hand heeft. Ze kruipt achter me en gaat op haar knieën op het bed zitten. Ik voel dat ze mijn haar in plukjes omhoog brengt en vastzet met schuifjes. In stilte zet ze elk plukje van mijn haar vast.
Als ze klaar is, kruipt ze van het bed af en ze hurkt voor me.
‘Gaat het?’ vraagt ze.
Ik knik. Ik voel me leeg en doodmoe.
‘Het gaat wel,’ mompel ik.
‘Ik heb gisteren even wat waterproof make-up gekocht. Dat leek me, gezien de omstandigheden, wel handig.’
‘Fijn, dank je,’ zeg ik beleefd.
‘Doe je ogen maar even dicht totdat ik klaar ben,’ zegt ze zachtjes en ik voel dat ze één of ander goedje op mijn wangen smeert.
‘Ik doe even wat foundation op,’ zegt ze. Een sponsje danst over mijn wangen, mijn voorhoofd, mijn kin en mijn neus. Ik blijf rustig zitten, ik verroer me niet. Ik denk aan de lach van Leon, aan zijn stralende gezicht, zijn blik als hij iets deed waar ik het niet mee eens was en zijn prachtige, blauwe ogen. Ik zie zijn gezicht haarscherp voor me. Elk detail kan ik voor me zien. Zal dat zo blijven of zal dat in de loop der tijd vervagen?
Ik voel een grote, zachte kwast over mijn wangen gaan.
‘Goed, dan nog even wat oogschaduw. Ik doe niet te veel hoor, gewoon even een klein beetje, zodat je ogen een beetje oplichten.’
Ik slik en knik voorzichtig. Dan voel ik een kwastje over mijn oogleden strijken en ik haal diep adem.
‘Doe zelf maar even wat mascara op, dat vind ik altijd een beetje eng bij iemand anders.’ Haar stem klinkt lief en rustig.
Ik knik en open mijn ogen. Ik pak de mascara van haar aan en loop naar de spiegel. De make-up die ze bij me op heeft gedaan is subtiel, elegant en nagenoeg perfect. Met de mascara breng ik de finishing touch aan en als ik klaar ben, kijk ik mijn vriendin aan.
‘Je bent prachtig,’ zegt ze weer.
Ik geef haar een zachte knuffel om haar te bedanken en dan lopen we samen naar beneden.

Jasper zit stilletjes op de bank. Hij draagt een stoere spijkerbroek en met zijn donkerblauwe overhemd lijken zijn ogen nog blauwer. Hij kijkt naar zijn zusje.
Eva zit, met mijn vader, voor de speelgoedkast. In haar zwarte jurk met witte stippen ziet ze er schattig en aandoenlijk uit. Ik heb vanmorgen twee staartjes in haar haren gemaakt. Leon vond haar altijd op haar schattigst als ze twee staartjes in had. ‘Daar krijgt ze zo’n heerlijk eigenwijs koppie van!’ zei hij altijd.
Ik staar even naar mijn zoon.
‘Moeten we al weg, mama?’ vraagt hij, als hij doorheeft dat ik naar hem aan het kijken ben. Ik kijk even op de klok en zie dat het één uur is geweest. Om drie uur begint de dienst en voor die tijd gaan we nog met een klein kringetje de kist sluiten.
‘Ja, we moeten weg,’ zeg ik zachtjes.
Eva springt meteen omhoog.
‘Kom opa! Kom!’ roept ze enthousiast.
Jasper blijft op de bank zitten en kijkt me vanonder zijn lange wimpers verdrietig aan.
‘Is deze dag al bijna voorbij, mama?’ vraagt hij zachtjes.
Mijn lieve mannetje. Mijn lieve, kleine mannetje. Ik kijk hem aan en zie zijn onderlip een beetje trillen. Langzaam loop ik naar hem toe en ik ga naast hem op de bank zitten.
‘Nee lieverd, deze dag is nog niet voorbij. Maar we zijn vandaag allemaal samen en we gaan dit samen doen.’
‘En jij blijft bij mij, toch mama?’
Ik sla mijn armen om hem heen en houd even mijn adem in als ik hem tegen mijn borst hoor snikken.
‘Ik blijf zeker bij jou. En opa ook. Je mag zo vaak komen knuffelen als je maar wilt.’
Jasper slaat zijn armen om de mijne en houdt me stevig vast.
‘Gelukkig maar,’ zegt hij dan zacht.
We staan samen op en eenmaal in de gang help ik de kinderen met hun jassen en schoenen. Mijn vader en Vera kijken met een treurig gezicht toe. Dan pak ik mijn zwarte pumps uit de kast en ik laat mijn blote voeten erin glijden.
Ik word meteen een paar centimeter langer en mijn houding verandert. In plaats van voorovergebogen sta ik ineens rechtop en ik kijk naar mijn vriendin. Ik zie haar ogen glinsteren van opkomende tranen en ze geeft me een goedkeurend, liefdevol knikje.
Dan stappen we in onze auto. Mijn vader kruipt achter het stuur, terwijl ik een vrolijke Eva in haar autostoeltje zet. Vera helpt Jasper en geeft me dan een knuffel.
‘Ik zie je straks. Sterkte, lieverd,’ fluistert ze in mijn haar.
Ik laat haar los en als haar ogen de mijne vinden, krijg ik spontaan een brok in mijn keel. 
‘Fuck. This is it,’ zeg ik zachtjes.
‘Esmee, je weet het… adem in via je neus, adem uit via de mond.’ Vera kijkt me met haar grote ogen aan.
Ik knik en stap dan snel naast mijn vader in de auto, terwijl mijn vriendin naar haar eigen auto loopt. Ik zie haar bij de dienst pas weer.

We rijden naar het uitvaartcentrum en in de auto zijn we allemaal stil. Niemand zegt een woord en ik voel me ongemakkelijk. Als ik me omdraai, zie ik dat de kinderen allebei uit het raam staren. Op de radio hoor ik het favoriete nummer van Leon en zonder na te denken druk ik de radio uit. De prachtige muziektonen worden vervangen door het zachte geluid van de brommende motor. Mijn vader zegt niks, hij legt enkel even kort zijn hand op mijn knie.
Voordat ik het weet, komen we bij het uitvaartcentrum aan. Gabriëlla staat buiten op ons te wachten in een prachtig, antracietkleurig mantelpakje en torenhoge pumps. Onbewust laat ik mijn ogen over het parkeerterrein en langs het gebouw glijden. Fenna is nergens te bekennen.
Godzijdank.
Mijn vader parkeert de auto en als ik uitstap loopt Gabriëlla direct naar me toe.
‘Dag, Esmee,’ zegt ze vriendelijk. ‘Leon is al naar de aula gebracht, waar we straks samen de kist gaan sluiten.’
Ik knik zachtjes en voel een zwaar, drukkend gevoel op mijn borst ontstaan.
‘Laten we naar binnen gaan.’
Met mijn linkerhand houd ik de hand van Eva vast en in mijn rechterhand verschijnt direct daarna de hand van Jasper. Langzaam lopen we met z’n vijven om de familiekamers heen, naar een grote, glazen deur aan de zijkant van het gebouw.
Gabriëlla loopt voorop en opent de deur met een soepele beweging. Ze laat ons voorgaan in een ruime hal waar aan weerszijden een rode stompkaars brandt.
Dan doet ze een stapje opzij.
‘Als je de volgende deur binnengaat,’ ze maakt een handgebaar naar nog een glazen deur, ‘dan zie je een grote, grijze muur. In het midden is een opening, daar kan je naar binnen en daar ligt Leon.’
‘Oké, dankjewel,’ zeg ik zachtjes.
‘Neem je tijd. Ik kom jullie straks helpen met het sluiten van de kist.’
Ik haal diep adem en grijp de handen van de kinderen steviger vast.
‘Mijn schoonouders komen ook nog zo meteen,’ zeg ik zachtjes. 
Gabriëlla knikt.
‘Ik zal buiten op ze wachten.’
Mijn vader doet een stap naar voren.
‘Ik blijf ook even wachten, dan heb je nog een moment alleen met je gezin,’ zegt hij rustig.
Ik werp hem een dankbare blik toe. Wat fijn dat hij hierin met me meedenkt.
‘Kom maar jongens,’ zeg ik tegen mijn kinderen.
Ik open de grote, glazen deur en zie direct de grijze muur waar Gabriëlla het over had. Ik neem Jasper en Eva mee door de opening en voel dan een ongelooflijke rust over me heen vallen, door de warme en sfeervolle inrichting van de kamer waar we terecht zijn gekomen.
In het donkergemaakte plafond zitten tientallen, nee honderden, super kleine lampjes verwerkt, die een subtiel licht afgeven in de kamer. Het lijkt of we onder een sterrenhemel staan en hoewel het midden op de dag is, hangt er een sfeer alsof het avond is. Ik zie minstens tien kaarsen langs de bordeauxrode wand staan, die stuk voor stuk warmte en sfeer uitstralen. De ruime kamer is gevuld met bloemen. Ik zie zeker twintig verschillende boeketten staan, stuk voor stuk voorzien van een lint of een kaartje en ik houd even mijn adem in.
Te midden van alle verschillende bloemen zie ik de kist van Leon staan. Nog steeds halfgeopend, zoals hij ook in de familiekamer stond. Hij ligt vredig in het midden van de kamer en raar genoeg straalt het tafereel rust uit. Het zachte kaarslicht werpt een warme gloed op zijn prachtige gezicht.
Jasper, Eva en ik blijven eventjes staan om van een afstandje te kijken. Wat is het hier schitterend mooi.
‘Wauw, mama,’ fluistert Jasper.
‘Mooi hè?’ fluister ik terug.
Ik zie hem knikken.
‘Daar isse papa!’ roept Eva enthousiast en ze begint aan mijn arm te trekken.
Ik laat me door mijn dochter meevoeren naar mijn man en ik zie hoe Jasper zichtbaar ontspant, terwijl hij dichterbij zijn vader komt.
Als we naast Leon staan, til ik Eva op, zodat ze Leon goed kan zien. Mijn god, wat is het toch een prachtige man om te zien.
‘Willen jullie nog iets tegen papa zeggen?’ vraag ik zachtjes.
Jasper kijkt bedenkelijk en tilt dan voorzichtig zijn hand op, om de hand van zijn vader aan te raken.
‘Dag lieve papa,’ zegt hij zachtjes, terwijl er ineens een traan over zijn wang dwaalt en hij zachtjes met zijn wijsvinger over de hand van Leon strijkt. Ik leg mijn vrije hand op zijn hoofd en trek hem iets naar me toe. Zijn haren kriebelen tussen mijn vingers.
Het gaat zwaar tegen mijn moedergevoel in dat we hier staan. Ik wil hen deze afgrijselijke ervaring besparen. Het is niet eerlijk dat ze nu al afscheid moeten nemen van hun vader.
Waarom moeten ze dit meemaken? Waarom in godsnaam?
‘Omdat dat wijf knettergek is,’ gaat er door mijn hoofd. Maar ik zeg het niet hardop. Natuurlijk zeg ik het niet hardop.
‘Eva, wil jij nog iets tegen papa zeggen?’
Eva knikt heftig.
‘Papaaaaa? Eva was inne zandbak. Eva hebt muur gebouwd. Zoooo groot!’ en ze houdt haar handen ver boven haar hoofd.
Dan fronst ze met haar kleine wenkbrauwtjes.
‘Papaaaaa. Eva doet praten mette jou!’ roept ze.
Dan buigt ze iets naar voren, uit mijn armen, richting Leon.
‘PAAAAAAAAAPAAAAAAAAAAA, wakkel worden!’ roept ze nog harder en een tikkeltje gefrustreerd.
Ik trek haar snel terug in mijn armen.
‘Papa slaapt niet lieverd.’ Ik slik. ‘Papa komt niet meer terug, weet je nog? We gaan nu “dag” zeggen tegen papa.’
‘Niet leuk,’ zegt Eva zachtjes.
‘Nee, dat is ook niet leuk,’ zeg ik zachtjes.
‘Stom,’ zegt ze, terwijl ze haar nukkige hoofd opzet.
Dan zie ik haar ogen langs de talloze bloemen gaan.
‘Kijk mama, bloem! Mag ikke ruiken?’
Ik geef haar een kus en laat haar op de grond zakken.
‘Ga maar ruiken,’ zeg ik.
Eva loopt naar de bloemen die het dichtstbij staan en drukt zonder na te denken haar hele gezicht in de bos.
‘Ruike wel lekker, mama!’ roept ze vrolijk.
Ik laat haar even begaan en kijk naar Jasper. Zijn wijsvinger gaat nog zachtjes heen en weer over de hand van Leon en hij kijkt naar het gezicht van zijn vader. Ik voel de druk op mijn borst versterken en pers mijn lippen op elkaar om mijn tranen niet de vrije loop te laten.
Wat een heftig plaatje.
Lieve Leon. Waarom…?

Jasper en ik staan wel tien minuten naast de kist waar Leon in ligt. We zeggen geen woord tegen elkaar. We staan gewoon heel dicht tegen elkaar aan te kijken naar zijn vader, mijn man. Mijn arm is als een beschermende deken om hem heen geslagen en mijn vingers gaan langzaam heen en weer over zijn onderarm, terwijl Jaspers hand inmiddels stil op die van Leon ligt.
Eva scharrelt een beetje rond in de aula en ruikt aan vrijwel elke bloem die ze ziet. Af en toe hoor ik haar ‘ruikt wel lekker’ of ‘ruikt niet zo lekker hoor’ mompelen.
Ik hoor de herinneringen aan Leon bijna door mijn hoofd razen. Ik zie telkens zijn prachtige glimlach voor me en ik hoor zijn schaterlach alsof hij nog in levenden lijve voor me staat.
Jasper staat muisstil naast me. Ik hoor zijn regelmatige ademhaling, af en toe met een snik ertussendoor.
Ik heb de neiging om hem op te tillen, om hem te knuffelen en te troosten, maar ik voel aan alles dat hij nu de ruimte nodig heeft om afscheid te nemen. Als ik hem troost, haal ik zijn emotie deels bij hem weg, terwijl die emotie er nu juist uit moet. Daar heeft hij ruimte en tijd voor nodig.
Daarom sta ik naast hem, met mijn arm om hem heen. Ik hoop dat hij de veiligheid en de intense liefde die ik voor hem heb voelt. Ik hoop dat hij de geborgenheid uit de lucht plukt en dat dit hem het laatste zetje geeft om op een goede manier afscheid te nemen.

Ineens hoor ik voetstappen. Het zijn duidelijk twee paar hakken en twee paar schoenen met een andere zool.
Ik kijk op, terwijl ik een verdwaalde traan van mijn kin af veeg en zie mijn vader, Joke, Henk en Gabriëlla de aula binnenkomen.
Gabriëlla houdt haar handen gevouwen op haar buik en laat mijn vader en schoonouders passeren door plechtig een stapje achteruit te zetten.
Joke loopt in één streep naar mij en Jasper toe en geeft ons een knuffel. Henk loopt naar de andere kant van de kist en gaat naast Leon staan. Ik zie hem vooroverbuigen en Leon een kus op zijn voorhoofd geven.
‘Hallo jongen,’ zegt hij zachtjes. Hij blijft met zijn gezicht even boven dat van Leon hangen en gaat met zijn hand door de haren van Leon.
‘Hallo…’ zegt hij weer.
Als hij weer omhoogkomt, zie ik zijn waterige ogen, de donkere wallen onder zijn ogen en zijn poging tot glimlachen.
‘Esmee,’ knikt hij naar me.
Ik geef hem een knikje terug, waarbij ik mijn lippen iets op elkaar pers en mijn schouders iets ophaal. Een knikje waarmee ik wil zeggen ‘ik begrijp je’.
Joke gaat naast Henk staan en ik zie dat ze zijn hand vastpakt. Ze kijken elkaar aan en knijpen in elkaars hand, wetende dat ze weer een kind moeten wegbrengen vandaag. Wetende dat hun leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Als ik ze zo samen naar Leon zie kijken, is de immense liefde die ze voor elkaar voelen in vol ornaat aanwezig. Vol kracht staan zij, opnieuw, voor de onmogelijke opgave om het gemis van hun kind een plaatsje te geven.
Terwijl ik hun gadesla, realiseer ik me dat ik nooit meer zo’n blik met Leon uit zal wisselen. Wij zullen nooit meer naast elkaar staan, wetende dat we ergens voor gaan vechten. We gaan geen mooie momenten meer met elkaar delen, geen moeilijke momenten.
We gaan simpelweg helemaal geen momenten meer met elkaar delen.
Als ik me dat realiseer, kan ik de brok in mijn keel niet meer negeren. De tranen lopen me over de wangen, terwijl ik uit alle macht probeer om rechtop te blijven staan. Ik haal mijn neus op en begin zachtjes te snikken.
Ik voel Jasper bewegen en hij kijkt me verdrietig aan.
‘Mama, ik snap wel dat je verdrietig bent hoor,’ zegt hij zachtjes.
Ik knik, terwijl ik mijn best doe om mijn tranen van mijn wangen te vegen. Ik zie dat Joke een pakje zakdoekjes uit haar handtasje haalt en mij er één aanbiedt. Dankbaar neem ik het zakdoekje van haar aan en als ik mijn tranen iets heb gedroogd, snuit ik mijn neus. Ik houd de prop in mijn linkerhand en knijp er flink in om verdere tranen tegen te houden.
Leon.
Nee.
Verdomme.
Leon…
Adem in, adem uit.
In via de neus… uit via de mond. 
Het helpt. Ik voel mezelf iets rustiger worden, maar binnenin mij raast er een ongekende emotie. Een emotie waar ik geen raad mee weet en die ik er niet uit kan laten. Ik voel mijn hart razendsnel kloppen, ik voel de fysieke pijn tot in mijn tenen en ik voel vooral de woede, die in korte tijd tot diep in mij is doorgedrongen.
Aan de buitenkant kan en mag dit niet zichtbaar zijn. Ik houd mijn emotie binnenboord en haal diep adem om mezelf een grens aan te geven.
Niet eruit gooien, Esmee.
Niet doen.
‘Zijn jullie klaar om afscheid te nemen en om de kist te sluiten?’ vraagt Gabriëlla ineens.
Ik schrik van haar opmerking.
Natuurlijk weet ik wel dat we hier zijn om de kist te sluiten, natuurlijk weet ik dat. Maar moet dat nu al? Zo snel? Het voelt zo definitief.
Maar het moet.
Het kan niet anders.
Dit moet.
Ik kijk Gabriëlla aan. ‘Ja,’ zeg ik zachtjes.
Mijn vader komt naar voren, met Eva in zijn armen. Eva is ineens heel rustig en stil. De emotie in de kamer loopt zo hoog op, dat het niet meer te negeren is, zelfs niet voor een peuter. Ze kijkt met grote ogen naar mij en naar haar broer en heeft haar armpjes om de nek van mijn vader heen geklemd.
‘Zeg maar “dag papa”,’ fluistert mijn vader zachtjes.
Eva kijkt naar Leon en dan naar mij. Ik zie haar onderlip iets trillen en haar grote ogen kijken me angstig aan.
Zal ze toch enigszins besef hebben van datgene wat er gaande is of wordt ze bedolven door de ontzettend verdrietige sfeer die er in deze ruimte heerst? Wat het ook is, ze moet zich nu veilig voelen.
Snel steek ik mijn handen naar haar uit en Eva weet niet hoe snel ze van mijn vaders armen in mijn armen moet klimmen. Ze kruipt tegen me aan en klemt haar armen strak om mijn nek. Haar gezicht verbergt ze in mijn hals en ze zegt niks.
‘Wil je nog iets tegen papa zeggen?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt ze kort. Het arme, arme meisje. Ze heeft geen idee…
Ik zie mijn vader vooroverbuigen en hij legt zijn hand op Leons hand.
‘Rust zacht, Leon,’ zegt hij zachtjes.
Dan zie ik zijn gezicht betrekken. Hij trekt een grimas en haalt zijn neus op. De tranen lopen ineens over zijn wangen en hij zet snel een paar passen achteruit.
Ik kijk even naar Joke en naar Henk, terwijl ik Eva stevig tegen me aandruk. Ik voel Jaspers hoofd tegen mijn heup en laat Eva met één hand los om deze om Jaspers schouders te slaan.
Henk buigt voorover en geeft zijn zoon voor de laatste keer een kus op zijn voorhoofd.
‘Dag jongen, ik hou van je,’ zegt hij zachtjes, voordat ook hij een paar stappen achteruitzet.
‘Pas goed op je zusje, lieverd,’ zegt Joke. Ook zij buigt voorover om hem een kus te geven, maar er druppelt een traan van haar op zijn wang.
‘Och sorry, schat,’ zegt ze snel en met haar vinger veegt ze de druppel liefdevol van zijn wang.
‘Ik hou van je, mijn zoon.’ Ze geeft hem een kus op zijn wang en draait zachtjes huilend om, waarna ze in de armen van Henk valt en snikt.
Oh god.
Oh nee.
Wij zijn.
Fuck.
Dit is het.
Het afscheid. 
Ik haal haperend adem als ik naar mijn zoon kijk. Hij voelt mijn blik en kijkt op. Zijn ogen zijn waterig en ik zie aan zijn gezicht hoe gespannen hij is.
‘Mag ik papa nog een kus geven?’ vraagt hij zachtjes.
Mijn hart breekt.
Oh de lieve, lieve schat.
‘Natuurlijk mag dat,’ antwoord ik, terwijl de ene na de andere traan over mijn wang stroomt.
Ik zie dat mijn vader een stap naar voren wil doen om Jasper op te tillen, maar ik houd hem tegen door zachtjes ‘nee’ te schudden.
We moeten dit zelf doen.
Ik manoeuvreer Eva naar de linkerkant van mijn lichaam en laat haar op mijn heup rusten. Haar hoofdje komt overeind door mijn beweging en ze legt haar neus tegen mijn wang aan.
Terwijl ik Eva vasthoud, ga ik door mijn knieën en met mijn vrije arm til ik Jasper op. Hij laat zich door mijn vrije heup ondersteunen en voorzichtig kom ik weer omhoog. Het gewicht van mijzelf met mijn twee kinderen zorgt ervoor dat ik niet meer zo stabiel op mijn pumps sta, maar het maakt me niets uit.
Ik moet en zal blijven staan.
Dat moet.
Ik wriemel een beetje met mijn armen, totdat ik zowel Eva als Jasper goed vastheb en doe dan een stap naar voren, richting Leon.
Ik buig voorzichtig en langzaam naar voren, terwijl ik in mijn beide oren kleine snikjes hoor van de mensen die ik meer liefheb dan wie dan ook.
In door de neus, uit door de mond, Esmee.
Ik houd ze stevig vast als onze vier gezichten heel dicht bij elkaar zijn.
Met z’n vieren zijn we bij elkaar.
Voor de allerlaatste keer.
Ik sluit mijn ogen heel kort als ik hoor dat Eva haar vader een kusje geeft en ik draai iets bij, zodat Jasper hetzelfde kan doen.
‘Dag lieve papa,’ zegt hij zachtjes door zijn tranen heen en ik zie hem van me afbuigen om Leon een kus te geven.
Mijn lichaam begint te schokken van de emotie, maar ik stabiliseer me snel.
Ik moet dit doen.
Ik moet.
Ik haal diep adem en kijk voor de allerlaatste keer naar zijn gezicht. Mijn armen vol met de grootste bewijzen van onze ongelooflijke liefde en wetende dat er nog een klein wurmpje onderweg is.
‘Dag, lieve Leon,’ zeg ik zachtjes.
Voor de allerlaatste keer druk ik mijn lippen op die van hem. Zijn zachte, koude lippen laten een rilling over mijn rug lopen en mijn tranen banen zich een weg tussen onze lippen door.
‘Dag, lieverd,’ zeg ik nog zachtjes, als ik onze lippen van elkaar losmaak.
Met mijn laatste kracht hijs ik mezelf en mijn twee verdrietige kinderen weer omhoog. Ik ga rechtop staan naast de kist en houd mijn kinderen bijna angstig tegen me aan gedrukt.
Ik zoek de ogen van Gabriëlla en ik knik voorzichtig.
‘We kunnen de kist sluiten,’ zeg ik zachtjes.

Doodse stilte, de laatste keer op VIVA

In de laatste hoofdstukken, die niet online komen, komt alles samen.
Wil je het verhaal van Esmee uitlezen? Wil jij weten hoe het afloopt met Fenna? Wil jij lezen hoe de heftige crematie verloopt? Het boek ‘Doodse Stilte’ heeft 42 hoofdstukken en is op dit moment volledig uitverkocht. Er is een tweede (kleine!) oplage besteld. Bestellen kan hier. Je bent dan verzekerd van een exemplaar: www.sasschrijfsels.nl/koop-het-boek

Wil je ook op de hoogte blijven van nieuwe verhalen (en wellicht een vervolg op Doodse Stilte) van Saskia? Volg haar dan op Facebook (Saskia’s Schrijfsels) of op Instagram @sasschrijfsels,