Ellie Lust: ‘Feestjes? Dat rodelopergebeuren interesseert me niet zo’

Sinds ‘Wie is de mol?’ kan niemand 
meer om politiewoordvoerder en publiekslieveling Ellie Lust (50) heen. En dat moet je ook niet willen, want Ellie is léúk. Ze heeft het retedruk, maar maakt voor ons graag wat tijd.

Tekst Kim Buitenhuis | Beeld Natasja Noordervliet

Op een regenachtige dinsdagochtend op het hoofdbureau op de Amsterdamse Elandsgracht gebeurt er de eerste vijf minuten al van alles. Van een man die verloren voor de deur staat omdat zijn mobiel is gestolen, tot drie advocaten die na elkaar binnenlopen voor een afspraak ‘met een cliënt’. Zal het interview met Ellie 
ook in een verhoorkamer zijn? Precies op dat moment verschijnt de woordvoerder van politie Amsterdam aan de andere kant van de glazen deur, vrolijk gebarend naar de telefoon die ze aan haar oor houdt. Een vrouw die met haar zoon in de wachtruimte zit, fluistert: “Hé, dat 
is toch die vrouw van tv?”

Nadat Ellie het telefoontje heeft afgehandeld, verontschuldigt ze zich: “Ja, ik dacht: ik ga vast bellend bij het raam staan, dan zie je dat ik je niet voor niets laat wachten.” In het keukentje zet Ellie een kop thee, pakt zelf koffie en laat behendig zien hoe je met een lepeltje – “Handig hè, dan lekt ie niet.” – een theezakje de prullenbak in kunt mikken. We lopen langs haar bureau en dat van haar collega’s, van wie ongeveer de helft in uniform is, richting de vergaderkamer. Al lopend vertelt Ellie verbaasd dat de interviewaanvragen maar blijven binnenstromen. “Ik word voor van alles gevraagd. Tachtig procent hou ik bij de voordeur al af. Want Chantal blijft niet bij Ellie slapen. En ik kan niet in ‘Ranking the stars’ gaan zitten. Je weet nooit of ik het de volgende avond op tv weer over een zeer ernstig delict moet gaan hebben.”

Wat vind je ervan dat zo’n beetje heel Nederland fan van je is?

“Ongelofelijk. Ik was eigenlijk bang voor kritiek, omdat ik er in ‘Wie is de mol?’ na de vierde aflevering al uit ging. Ik dacht: als daar maar geen gezeur van komt. Dat hele portofoongedoe is een dingetje geworden. En iedereen heeft zich rot gelachen over dat met de klok mee zoeken. Bizar, al die aandacht.”

Hoe ga je daarmee om?

“Begin dit jaar had ik het 
er even moeilijk mee. Er kwam zo veel op me af, naast mijn normale werkdrukte, dat het te veel werd. En dit is geen baan waarbij je denkt: dan doe ik vandaag even rustig aan. Mijn vrouw Boukje drong erop aan me te helpen, dus zet 
ik nu alle aanvragen voor lezingen en interviews door naar Bouk. Zij bespreekt alles voor, maakt de presentaties en laat me precies weten waar en hoe laat 
ik ergens moet zijn: ‘Veel succes, hier is je usb-stickie en de groeten.’ Grappig hè? En het werkt!”

Dat komt waarschijnlijk ook doordat jullie elkaar door en door kennen.

“Ja joh, we zijn ruim zestien jaar samen. En Bouk vindt het heel leuk om mij hier zo bij te helpen. Ik vind het hele BN’erschap trouwens ontzettend overrated. Je bent gewoon een van de zeventien miljoen. Dat jij met je snoet op 
tv komt, dat maakt je niet beter, specialer of mooier dan een ander. Maar je ziet wel, en 
dat voel ik nadrukkelijk, dat de buitenwereld anders op je reageert op het moment dat je een bekend gezicht hebt.”

Denkt Boukje niet ook weleens: die afspraak doen we niet, anders zie ik je helemaal niet meer…?

“Nee. Als zij denkt: dit vindt Ellie leuk en het is goed voor haar, dan plant ze het in. Boukje is wereldkampioen gunnen. Ik krijg ook weleens de vraag of het niet lastig is voor mijn vrouw dat ik zo veel aandacht krijg. Nou, Bouk vindt het prima, ze houdt helemaal niet van drukte. Soms zeg ik tegen haar: ‘Ik vind het wel leuk als je hiermee naartoe gaat.’ Zoals laatst, toen mijn goede vriend Rop (Verheijen, red.) uit ‘Wie is de mol?’ zijn première had, en de rest 
er ook met hun partner naartoe ging. Anders kwam ik weer alleen aan, en ze hoort wel bij mij. Ik vraag het niet vaak, dat hele rodelopergebeuren interesseert mij ook niet zo. Maar als Rop zijn première heeft, dan kom ik voor hem, want ik ben dol op die jongen.”

Had je verwacht dat jullie zo close zouden worden?

“Totaal niet. Ik spreek iedereen nog steeds. We hebben de groeps-app ‘Stelletje Klootzakken’, omdat we natuurlijk niet ‘Wie is de mol 2016’ erboven konden zetten. Die groeps-app hadden we al toen nog niemand mocht weten wie 
erin zat. Laatst ben ik met Cécile (Narinx, red.) wezen lunchen, en binnenkort spreek ik weer met Marjolein (Keuning, red.) af, die heb ik ook al te lang niet gezien. Aan mijn eigen vrienden kan ik vertellen wat we daar hebben beleefd, maar hoe het echt voelt, dat weten zij alleen.”

En naast al die interviews en aanvragen heb je natuurlijk ook je werk bij de politie.

“Volgend jaar al dertig jaar. Ik ben in oktober ’87 begonnen. Ik zie me nog binnenkomen, 
die eerste dag op de politieschool. Ik kreeg 
mijn kamer en dacht: huh, wat is dit voor cel? Het was bijna alsof je zelf opgesloten werd. Een eenpersoonsbedje, wastafeltje en een kast: dat was alles wat er in de kamers stond. Douches 
en toiletten op de gang, een vrouwen- en mannenvleugel. En de mannen mochten niet 
op de vrouwenvleugel komen.”

Hoe heb je daar je plek van gemaakt?

“Dat ging vrij snel. Uiteindelijk heb ik op zes verschillende wijkteams gezeten, dwars door 
de stad. Begin jaren negentig zat ik in een noodgebouw in West. Ze hebben het nu over 
de liquidaties in de stad, maar dat was toen 
ook aan de gang. Soms wel drie tegelijk. Een fantastische politietijd eigenlijk.”

Wat was zo’n heftige gebeurtenis uit die tijd, die je nooit meer vergeet?

“Ik kan me nog een Koninginnenacht herinneren waarin we een melding kregen dat er een poging tot zelfdoding was in het Rembrandtpark. Eenmaal in het park kwamen we bij een man in een vennetje. Hij was helemaal verbrand, lag verschrompeld in foetushouding. De toppen van de bomen waren verschroeid. Die man had daar als een fakkel gestaan, en zich in het water geblust. Uiteindelijk werd hij in verband gebracht met drugsmaffia en bleek hij in de fik te zijn gestoken. De naam van de getuige weet ik nog, zo gek dat je dat onthoudt.”

Heftig. Hoe hou je dit dertig jaar vol?

“Met humor en relativeringsvermogen. Je moet 
wel. Je ziet jonge collega’s in een jaar tijd groot groeien, omdat je als agent al het leed in de wereld ziet. Mensen hebben geen idee wat de politie allemaal doet. Het is veel meer dan een afzetting, een controle, een bonnetje dat wordt gegeven. Wat we allemaal wel niet achter gesloten deuren zien: verslavingsproblematiek, kindermishandeling en ga zo maar door.”

Je bent ook profvolleyballer geweest. Wanneer wist je: ik ga voor de politie?

“Ik was gek op politieseries en bedacht al snel dat ik ook bij de politie wilde. Die interesse zat verder niet in de familie, al heeft een van mijn opa’s wel in het verzet gezeten. Hij was een echte oorlogsheld. We hebben zelfs nog een handgeschreven brief van Prins Bernhard waarin opa wordt bedankt voor zijn inzet voor het vaderland. Terugkijkend denk ik dat het ook te maken heeft gehad met dat ik als kind werd gepest met mijn rode haren, sproeten en brilletje. Ik ken het gevoel van buitengesloten worden, waardoor ik de behoefte voel om het voor mensen op te nemen die kwetsbaarder zijn. Mijn moeder vond het trouwens ook niet makkelijk dat ze twee lesbische dochters had. Misschien wilde ik daardoor overcompenseren, dat ik toch iets goeds deed voor de maatschappij.”

Heb je veel steun gehad aan je tweelingzus Marja?

“Zeker! Ik kreeg mijn eerste vriendinnetje op mijn negentiende, in het Nederlands volleybalteam. Toen hebben Marja en ik het voor de eerste keer naar elkaar uitgesproken. Van mijn vader hadden we altijd wel gedacht dat ie het wel prima vond om de enige man in het leven van zijn twee dochters te blijven. Maar mijn moeder vond het ingewikkeld. Ze was vooral bezorgd, want als je kinderen l-h-b of t’er zijn, moeten ze er hun leven lang mee dealen.”

Hoe ervaar je dat nu?

“Anno 2016 moet ik nog steeds op mijn hoede zijn. Is het veilig om affectie te tonen aan mijn vrouw met wie ik al zestien jaar samen ben? Daar denken hetero’s niet over na. Zeker als ik naar een ander land ga, moet ik opletten. Als wij vijf dagen Rome pakken, een katholieke stad, kan ik niet hand in hand lopen met mijn vrouw. Ik hou er rekening mee dat we mogelijk nare reacties krijgen. En ik vind: als je te gast bent, gedraag je je als gast. Bescheidenheid siert de mens, zo ben ik opgevoed.”

Heeft dat ook weleens tegen je gewerkt?

“Ja want je mag soms best je plaats innemen. Je mag er zijn. Ik had nooit verwacht dat ik met mijn achtergrond nu zo’n voorvrouw zou zijn, zeker op dit onderwerp. Daar ben ik trots op.”

Je bent nu bijna tien jaar woordvoerder voor de politie.

“Ja, en het is grappig hoe dat is gegaan. Ik 
kwam een keer voor een zaak bij ‘Opsporing verzocht’. Niet veel later kwam de vacature vrij voor woordvoerder. Dat was alleen midden in 
de ziektetijd van Boukje, ze had borstkanker, 
en mijn vader was net overleden, waardoor ik besloot niet te reageren. Een halfjaar later kwam de vacature weer voorbij, omdat er geen geschikte kandidaat gevonden was. Inmiddels ging het thuis beter, dus solliciteerde ik. Ik werd aangenomen. Vanaf het moment dat ik hier zit, sta ik twee tot drie keer in de week voor de camera. Voor ‘Opsporing verzocht’, ‘Hart van Nederland’, AT5, enzovoort. En ik draai ook nog weleens een dienstje mee op straat.”

Hoe is dat voor jou als bekend gezicht?

“Dat wordt lastiger omdat mensen nu met me op de foto willen. Toch wil ik het wel blijven doen. Ik wil feeling blijven houden met de collega’s op straat. Ik wil dat ze, als ze me op tv zien, denken: ja maar El weet het wel, want ze heeft pas nog bij ons met het wijkteam meegedraaid. De wereld verandert. Als ik het ergens over heb, wil ik het wel meegemaakt hebben.”

Hoe is het in dertig jaar 
politietijd veranderd op straat?

“Het wordt alleen maar 
veiliger, dat is het totaalbeeld. Alleen zie je dat er steeds iets oppopt. Een beetje het waterbedeffect: als we veel investeren om woning-inbraken tegen te gaan, lukt dat, maar dan komt er wel weer iets anders. Maar over het algemeen wordt het 
alleen maar veiliger.”

Je hoort steeds meer over angst, zoals bij de laatste gay pride.

“Het dreigingsniveau, dat 
in Nederland door de NCTV (Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en 
Veiligheid, red.) is bepaald, 
is al drie jaar hetzelfde. Dat betekent dat er op voorvallen geanticipeerd moet worden als het gaat om veiligheidsmaatregelen. Zeker zo’n groot evenement als de botenparade wordt maandenlang voorbereid. Gelukkig is het een fantastische dag geweest. Je kunt helaas niet 
alles voor zijn. In Nice denk je ook dat je veilig bent op een boulevard. Maar we kunnen moeilijk thuis gaan zitten. We laten ons toch niet 
terroriseren? Het gaat erom dat we doorgaan met ons leven. Ik wil niet met angst leven.”

Is er überhaupt iets waar je bang voor bent?

“Ik hou niet van rennende muizen en spinnen. Als ik ooit voor ‘Expeditie Robinson’ wordt 
gevraagd, wordt dat wel een dingetje. Mijn angst zit in het verliezen van dierbaren. Een vriendin van mij, Barbara Straathof, is nu ernstig ziek. We roepen steeds: het gaat goedkomen. En dat moet ook.”

Wat zijn je toekomstplannen?

“Een gewetensvraag. Mijn wereld is inmiddels zo veranderd. Ik zei altijd: ‘Ik ga mijn pensioen halen bij de politie.’ Maar daar ben ik niet meer zo zeker van. Ik heb ooit twee beloftes gedaan: aan de politie en aan Boukje. Niet heilig, maar wel heel belangrijk. Ik word nu veel gevraagd voor tv, er komt misschien een tv-programma waarin ik een belangrijke rol krijg. Mijn onzekerheid zit ’m in de vraag of ik interessant 
genoeg blijf voor de buitenwereld als ik niet meer bij de politie werk. Ik ben net vijftig geworden, het zou toch te gek zijn als ik in de volgende 
tien jaar van mijn leven nog iets heel anders 
ga doen? Ik wil mezelf blijven ontplooien. Al zou het ook gek zijn om de politie los te laten, 
de politie is wie ik ben… Ik weet het dus nog niet. Misschien word ik wel de eerste vrouwe
lijke misdaadverslaggever.”

Dit artikel is afkomstig uit VIVA 42. Abonnee worden of een losse editie van VIVA bestellen? Klik hieronder:

»Bestel VIVA online | Klik hier «