Prinses in paniek

geen

‘Wat een eikel, zeg!’ Even denk ik dat de vrouw die naast me zit aan de telefoon is. Ze kijkt wel op het scherm van haar mobiel, namelijk.

Telefoonterror
Praten in de lucht doen mensen wel vaker in de bus of trein, met zo’n oortje dat je bijna niet ziet. De keren dat ik daarin ben getrapt zijn niet meer op twee handen te tellen. Dan riep iemand enthousiast: ‘Hééé, hoe is het met jou?’ terwijl hij mij diep in de ogen keek. Ik knipperde dan verbaasd en dacht diep na wie dit ook alweer was (ik ben niet zo goed met gezichten), terwijl ik onwennig reageerde met: ‘Ja, goed hoor, met jou dan?’ Waarop mijn gesprekspartner me een verbaasde blik schonk en verderpraatte in zijn oortje. Oeps.

Het zit op de bank en het eet chips
Maar deze vrouw kijkt me aan en wacht duidelijk op mijn reactie. Ik zie geen apparaatjes in haar oren en realiseer me dat ze het echt tegen mij heeft. ‘O ja?’ vraag ik neutraal.
De vrouw rolt met haar ogen. ‘Nou en of.’ Ze kijkt me met haar chocoladebruine ogen bozig aan. ‘Hij denkt volgens mij dat ik één of andere sloof ben.’
‘O.’ Ik weet even geen reactie die beter past. Dan probeer ik voorzichtig: ‘Je vriend?’
‘Mijn mán,’ briest de vrouw. ‘Hij zit de hele dag maar een beetje op de bank en vreet chips. Vroeger zei hij dat ik zijn prinsesje was. Nou, niks meer van over! Helemaal weg!’
‘Wat eh… naar.’
‘Ja, maar dat is nog niet alles. Als dit nou het enige was! Maar néé, meneer denkt dat hij wel even zijn ex kan gaan mailen dat hij haar zo mist!’ Ze gebaart naar haar mobiel. ‘Ik hoor het net van mijn schoonmoeder.’
Inmiddels luistert de hele bus geïnteresseerd mee. De vrouw lijkt het niet door te hebben, ze kijkt me hulpeloos aan. ‘Wat moet ik nou doen?’
Ik voel een intens gevoel van medelijden opkomen voor dit verfomfaaide hoopje mens, dat schijnbaar zo wanhopig is dat ze haar problemen met wildvreemden deelt. ‘Misschien kun je tegen hem zeggen dat je je niet gewaardeerd voelt,’ opper ik. ‘Of vragen waarom hij je niet meer als zijn prinsesje behandelt?’
Ze snuft zielig en richt dan vastberaden haar blik weer naar me op. ‘Goed idee. Ik ga hem er gewoon mee confronteren. O, dit is mijn halte.’ Ze aait even over mijn arm. ‘Bedankt hè, meid. Doei!’
De bejaarde vrouw achter me buigt zich naar me toe en zegt meelevend: ‘Wat vervelend voor je vriendin.’

Praat tegen mij!
Je denkt waarschijnlijk dat ik dit verzin. Dat is niet zo. Sterker nog, soortgelijke voorvallen overkomen me met enige regelmaat. Waar Martin laatst vertelde dat hij schijnbaar een heel chagrijnig gezicht heeft als hij neutraal kijkt, blijk ik een extreem ‘praat tegen mij’-hoofd te hebben. Ik zie eruit alsof ik opensta voor alles wat iedereen me te vertellen heeft. Een soort sociale praatpaal, die op het juiste moment ‘hm-hm’ en ‘o ja?’ zegt.

Het voordeel
En stiekem is dat ook wel een beetje zo. Oké, ik ben niet altijd in de stemming om te horen dat die jongen tegenover me uit China is gekomen en nu iets met tulpen studeert hier in Nederland (true story) of dat dat shagrokende meisje de voogdij over haar vierjarige dochtertje is kwijtgeraakt toen ze naar de gevangenis moest (ik zou willen dat ik deze verzon, maar nee). Toch vind ik het altijd wel interessant om levensverhalen te horen. Het grote voordeel van dat ‘vertel mij meer, meer, vertel me alles!’-gezicht: in mijn beroep als journalist komt het me best van pas. Tijdens portretinterviews hoef ik niet eens veel vragen te stellen.

Ik ben trouwens wel erg nieuwsgierig hoe het is afgelopen met de busprinses en haar luie vent.