Steen papier schaar

Mijn zoon en ik doen het spel steen, papier, schaar. Hij weet prima hoe hij de bewegingen moet maken, maar wie er heeft gewonnen vindt hij onduidelijk. Dus ontstaat er een kinderlijke discussie tussen mijn zoon en mij. ‘Nééhee, papier wint van stééheen,’ zeg ik, want ik kan dat heel goed: een meningsverschil uitvechten op het niveau van een kind. Maar hij is het niet met mij eens, want dan heeft hij verloren. En in verliezen is hij geen kampioen.

Cocktails
Mijn vrouw komt zich ermee bemoeien. Waar er twee ruziën moet er een derde onpartijdige figuur bij komen om te beslissen wie er gelijk heeft. Moeders kunnen dat erg goed. Ze vouwt haar armen over elkaar, hoort ons aan, maar plots verschijnt er een groot onzichtbaar vraagteken boven haar hoofd. Ze weet totaal niet waarmee we bezig zijn.

Het moet er dan ook raar uitzien voor iemand die het spel niet kent. Alsof we cocktails schudden, zonder een glas vast te houden. Twee keer maak je een beweging alsof je met een vuist op tafel wil slaan en dan ineens bevriezen die twee handen in een bepaalde stand, soms als een gebalde vuist, dan weer met twee uitstekende vingers, of juist met gestrekte vingers alsof je er een mep mee gaat verkopen. ‘Waar gaat het over?’

Geluk
‘Dat is over komen waaien uit Amerika. Tenminste, ik ken het van de films. Je doet het met z’n tweeën en er kan er maar één winnen. Zie het als een soort van iene miene mutte. Alleen weet je bij dat versje vooraf al wie er gaat winnen en dat is dus niet de persoon bij wie je begint. Bij steen, papier, schaar weet niemand wie er gaat winnen totdat je tegelijkertijd een keuze hebt gemaakt. Het is een kwestie van geluk.’

Het is een hardnekkig vraagteken boven dat hoofd van mijn vrouw. ‘Maar wie wint er dan eigenlijk?’ vraagt ze.

‘Dat ligt eraan,’ antwoord ik, terwijl ik besef dat ik niet de uitleg heb gegeven, enkel de introductie. ‘Wanneer je allebei hetzelfde gebaar maakt is het gelijkspel. Niemand wint, niemand verliest. Bij alle andere mogelijkheden kan er maar één winnaar zijn. Steen wint van schaar, want steen maakt de schaar kapot. Met de schaar win je van papier, want je kunt het papier stuk knippen. Tenslotte wint papier van steen, omdat je een steen kunt inpakken met papier.’

Dilemma
‘Maar met een steen kun je alles kapot slaan,’ zegt Wessel. Daar is wel wat voor te zeggen, maar dat kan natuurlijk niet, want er blijft weinig van zo’n spel over wanneer er één manier is om altijd te winnen. Alleen spreekt zo’n velletje papier dat wint van steen niet echt tot de verbeelding.

Wessel en ik kijken allebei naar mijn vrouw die nu iemand gelijk moet gaan geven. Ik kan aan haar gezicht aflezen dat ze er nog niet helemaal uit is. Ze staat dan ook voor een lastig dilemma. Wanneer ze mij gelijk geeft, verliest Wessel niet alleen het spel, maar ook de discussie. En dat is voor een zevenjarige best lastig.

Winnaar
‘Wat papa zegt klopt,’ zegt ze, maar meteen er achteraan verklaart ze de uitslag van het spel ongeldig omdat Wessel de spelregels nog niet goed kende. Een compromis! Gelijkspel! Moeder weet de vrede te bewaren.

Toch moet er een winnaar zijn. ‘Steen papier schaar,’ roepen we. We schudden met de vuisten en bevriezen in een houding. Ik steek mijn platte hand op in de lucht en Wessel steekt zijn wijs- en middelvinger uit als een schaar. Zul je altijd zien.

CC foto: Meme!