Tanja (27) verbrak het contact met haar fanatiek religieuze moeder

Tanja (27) komt uit een orthodox gezin. Op haar zeventiende brak ze met het geloof en haar fanatiek-religieuze moeder. “Elk woord uit haar mond was een bijbels citaat. En ze kreeg visioenen van God, zei ze.”

Tekst Vivienne Groenewoud | Beeld iStock

“Ik groeide op in een gezin waarin de buitenwereld als slecht en bedreigend werd gezien. Ik mocht geen vrienden maken met mensen buiten de kerk, of ‘buiten de waarheid’, zoals mijn moeder en stiefvader het noemden. Ook clubjes, sporten en muziek waren dingen die alleen maar in de weg stonden van onze religieuze ontwikkeling, die boven alles kwam.
Als ik terugdenk aan mijn jeugd bekruipt me direct weer het beklemmende gevoel van isolatie en verstikkende eenzaamheid die mijn kinderjaren kenmerkten. De grijze aaneenschakeling van de 
dagen, waarin nooit iets werd gevierd. Geen Kerstmis. Geen verjaardagen.”

Geen 
spijkerbroek

“De andere kinderen op school lachten om me. Om mijn ouderwetse, lange jurken met ruches, die zo veel mogelijk van mijn lichaam bedekten. Meedoen met de mode was een zonde. ‘In de Bijbel staat dat je je als vrouw niet als man moet kleden,’ zei mijn moeder, toen ik het ooit waagde om een spijkerbroek te vragen. ‘De Heer verafschuwt eenieder die zulke 
dingen doet.’

Twee avonden per week organiseerden leden van de kerk een bijbelstudie waarbij we verplicht aanwezig moesten zijn. Die avonden duurden eindeloos, maar niet zo lang als de weekenden die gevuld waren met meer bijbelstudie en natuurlijk het verplichte kerkbezoek. Mijn leven was overvol, maar niet gevuld 
met het plezier en blijdschap over de alledaagse dingen die voor de meeste jonge meisjes vanzelfsprekend zijn. Voor 
mij geen feestjes, leuke kleding, make-up en samen met vriendinnetjes over jongens giechelen.

Mijn moeder groeide op in een gematigd katholiek gezin. Mijn opa en oma namen haar soms mee naar de kerk, maar later kwam daar de klad in. Godsdienst speelde lang geen rol van betekenis in haar 
leven. Pas jaren later veranderde dat.”

Een strohalm

“Mijn vader overleed aan maagkanker. Ik was zeven, mijn broertje negen jaar oud. Ik heb niet veel herinneringen aan hem, maar mijn opa en oma vertelden me dat hij een lieve, stabiele man was. Mijn moeders rots in de branding, vooral nadat mijn broer door zuurstofgebrek ernstig gehandicapt ter wereld was gekomen. Op zijn aandringen 
kregen ze een tweede kind. Dat was ik.

Na mijn vaders dood bleef mijn moeder achter met twee kinderen, waarvan de oudste nooit zou kunnen lopen of praten. Mijn moeder kon de zorg in haar eentje nauwelijks aan. Ik denk dat toen de kiem is geplant van haar latere 
fanatisme. Ze zocht wanhopig naar een verklaring voor mijn vaders dood. Een strohalm 
om zich aan vast te klampen. De ordinaire willekeur van zijn ziekte was te veel om te kunnen aanvaarden. Er moest een andere, diepere reden zijn voor de plotselinge chaos die haar leven was geworden.”

Zendingsdrang

“Ze begon weer naar de kerk te gaan en de Bijbel te lezen. Blijkbaar haalde ze er troost uit. Op zich niet zo’n heel vreemde reactie van iemand die midden in een rouwproces zit en zoekt naar zingeving. Daarbij kreeg ze vanuit de kerk praktische hulp bij de 
dagelijkse dingen. Maar toen ze mijn stiefvader ontmoette, raakte alles pas echt in een stroomversnelling.

Ze was toen al overgestapt naar een veel strengere kerk, een soort splinterbeweging van de pinkstergemeente, waarbij het leven naar de 
Bijbel als het ‘onfeilbare woord van God’ centraal stond. Daar leerde mijn 
moeder Duco kennen. Mijn moeder was meer dan ontvankelijk voor iemand die haar richting kon geven en Duco was een dominante man. Het duurde niet lang 
of ze waren een stel. Van 
mijn oma begreep ik later 
dat mijn moeder zich in 
diezelfde periode begon te 
vervreemden van de weinige vriendinnen die ze had. Ze wilde alleen nog over Jezus 
en de Bijbel praten. En als 
een vriendin aangaf dat ze 
het liever over iets anders 
wilde hebben, kapte ze het contact af. Ook wij, de kinderen, ontkwamen niet aan 
haar hervonden geloof. Net als Duco was ze er inmiddels van overtuigd dat Gods woord het grootste geschenk was dat je een kind kon geven in de opvoeding.
Langzamerhand raakte ze op het punt dat ze niet alleen maar extreem toegewijd was, maar geobsedeerd. Ze luisterde de hele dag naar ingesproken preken en elk woord dat uit haar mond kwam, was een citaat uit de Bijbel of ging op de een of andere manier over religie. En dat bedoel ik letterlijk. Elk. Woord.”

Offer

“Elke avond werd er voor
gelezen uit de Bijbel, het Oude Testament, welteverstaan. Mijn broer kreeg er niet veel van mee, maar ik werd doodsbang van de verhalen. De 
dieren die omkwamen in een overstroming, de oorlogen waarbij Gods volk vrouwen, kinderen en dieren afslachtten. Ik weet nog goed dat ik mijn moeder een keer vroeg wat ze zou doen als God haar om een offer zou vragen, zoals hij deed toen hij Abraham vroeg zijn enige zoon te 
offeren.
Haar antwoord zorgde ervoor dat ik weken nachtmerries had. ‘Ze wist het niet,’ zei ze.
De enige momenten dat ze niet tegen me aan het preken was, was wanneer ze me 
vertelde over haar verleden. Haar ‘vorige leven’ zoals ze het noemde, en hoe zondig ze geweest was voordat ze mijn vader ontmoette. Daarom was ze gestraft met een gehandicapt kind, ze wist het zeker. 
Ze vertelde het om me te 
behoeden, zei ze, zodat ik niet dezelfde fouten zou maken. Maar die gesprekken zorgden er niet voor dat ik me meer met haar verbonden voelde. Ze stootte me er alleen maar meer mee af. Ik was elf, twaalf jaar oud en nog helemaal niet bezig met dingen als seksualiteit. En ik wilde al helemaal niet horen hoe zondig en 
zedeloos mijn moeder was 
geweest.
Duco was op zijn beurt vaak dagenlang stil. Soms verdween hij uren. Dan ging hij wandelen, zei hij. Toen ik een keer meeging, kwam ik erachter dat hij niet alleen wandelde, maar op straat mensen aansprak, lastigviel met verhalen over God en verdoemenis. Als ze doorliepen, schreeuwde hij ze zelfs na. Ik schaamde me vreselijk en bleef een eindje verderop staan.
Vanaf die dag ben ik nooit meer meegegaan. Ik had altijd het gevoel dat het niet klopte wat hij zei. Maar ondertussen was ik wel elke dag doodsbang dat de wereld zou vergaan als ik op school zou zijn. Ik voelde me voortdurend nerveus en opgejaagd. Want elke dag kon de dag des oordeels zijn.
Gaandeweg raakte mijn moeder ervan overtuigd dat God haar had uitverkoren om zijn woord te verkondigen, alsof 
ze een profeet was. Ze beweerde dat God haar dromen en visioenen schonk waarvan 
ze zeker wist dat ze waarheid zouden worden. Nu weet ik: religieus fanatisme is als een drug. Strengreligieuze mensen laveren door het leven zoals alcoholisten onder invloed hun auto besturen. Ze denken dat ze een perfecte chauffeur zijn, maar ze zijn een gevaar voor iedereen die hun pad kruist.”

In opstand

“Toen ik zeventien was, begon ik in opstand te komen. Volwassen worden, de wereld zien, zelf kinderen krijgen. Het zou nooit voor me weggelegd zijn, dacht ik. We leefden tenslotte in de ‘eindtijd’, wat inhield dat plannen 
maken voor de toekomst zinloos was. Maar steeds vaker vroeg ik me af hoe mensen hun normale verlangens 
konden negeren om in plaats daarvan te focussen op een 
leven na dit leven. Een leven waarvan niemand wist hoe het eruit zou zien. Sterker 
nog: ik geloofde daar niet eens meer in. En ook die eindtijd klonk me steeds onlogischer in de oren, net als alle andere regels die mijn ouders me 
oplegden.
Het feit dat ik verliefd was 
geworden, hielp ook mee. 
Martin liep stage op mijn middelbare school, als docent levensbeschouwing. We voerden diepe gesprekken en hij gaf me het gevoel dat er een ander leven mogelijk was, een leven waarin het geloof niet zo’n grote rol speelde. Sterker nog: dat dat leven voor het grijpen lag. Dat sterkte me.
Op een avond was het zo ver. Ik weet niet eens meer precies wat de aanleiding was, maar het was vast weer een of ander verbod dat ik naar mijn hoofd geslingerd kreeg. Ik voelde 
een enorme vuurbal ontstaan, die van mijn buik door mijn hele lichaam trok. Een kracht, die ik in al die jaren van onderdrukking had opgebouwd. Ik ging op de bank tegenover mijn moeder en stiefvader 
zitten, haalde diep adem en vertelde dat ik niet meer in God geloofde. Dat was misschien stelliger dan ik het 
vanbinnen voelde, maar ik wist dat dit de enige manier was waarop ik los kon breken. Mijn moeder begon te huilen. Ze smeekte me om het juiste te doen, zodat ik niet in de 
hel terecht zou komen. Ik was totaal verstijfd. Het enige wat ik wist, was dat ik dit leven niet meer wilde. Omdat ik zo onaangedaan leek, schreeuwde Duco tegen me hoe harteloos ik was. Hoe kon ik mijn moeders smeekbeden negeren, haar liefde verwerpen?
Ik wist niet meer hoe ik mezelf moest zijn, maar wat ik wel wist, was dat ik daar alleen maar achter kon komen door weg te gaan. Dus dat deed ik. Ik trok bij Martin in, en ben nooit meer teruggegaan.”

Religieuze dwangbuis

“Duco is nog steeds ziedend. Tot op de dag van vandaag wil hij niets meer van me weten. Mijn moeder en ik hebben heel af en toe nog contact. Soms, tegen beter weten in, bel ik haar. Ze blijft, ondanks alles, toch mijn moeder. Als 
ik haar spreek, verloopt de communicatie moeizaam. Ik kan er niet goed meer tegen om haar verhalen aan te horen. Zodra ik haar stem hoor, heb ik het gevoel alsof ik gesmoord word onder een dikke, donkere deken. Het brengt me in verwarring en ik krijg weer het gevoel uit mijn jeugd: het gevoel alsof ik de grip op de realiteit kwijtraak. Voor mij is er niets anders wat me zo veel angst aanjaagt als het contact met haar.
Als ik eerlijk ben, gaat mijn angst dieper dan dat. Ik ben bang voor de mogelijkheid dat ze gelijk zou kunnen hebben. En als dat zo zou zijn, zou dat inhouden dat ik teruggezogen word in de religieuze dwangbuis die mijn hersenen zo lang het zwijgen heeft opgelegd. Nu ik weet wat het inhoudt om vrij te kunnen leven, 
voelen en denken, is het mijn grootste angst dat vermogen weer te verliezen.

Ik denk dat als er daadwerkelijk een hoger wezen is dat me na mijn dood zal beoordelen, hij of zij me zal accepteren 
zoals ik ben. Met al mijn goede en slechte eigenschappen. Ik probeer een goed mens te zijn. Niet omdat in de Bijbel staat dat dat moet, maar omdat ik denk dat empathie hetgeen 
is wat onze menselijkheid
bepaalt.”

Arrogantie

“Door mijn gesprekken met Martin kwam ik erachter 
dat ik geen atheïst ben, maar een antireligieus persoon. 
Ik geloof nog steeds wel dat 
er iemand is die ‘op de knop heeft gedrukt’, maar ik denk ook dat elke vorm van georganiseerde religie een werkelijke verbinding met iets goddelijks juist in de weg staat. Ik bedoel: hoe arrogant is het om te 
beweren dat je God kent en precies weet wat hij of zij wil?
Natuurlijk zijn er een heleboel mensen die vanuit hun geloof mooie dingen doen, maar als je echt wilt weten of een religie werkt, kijk dan naar de 
gelovigen. Hoe gaan zij met elkaar om en met hun kinderen en andersdenkenden? Hoe liefdevol en gelukkig zijn ze? Als blijkt dat een geloofsovertuiging tot ellende leidt, wordt het tijd die te herzien.”

Dit artikel is afkomstig uit VIVA 29-2016. Abonnee worden of een losse editie van VIVA bestellen? Klik hieronder:

»Bestel VIVA online | Klik hier «