Toekomstflits

Daar komt ze aan; mijn coach voor het negentig minuten scenario. Ze gooit de deur van haar auto voor me open en onthult zo een wanorde van cd’s, snoep papiertjes, kinderattributen en kruimels. ‘Ja sorry hoor,’ zegt ze terwijl ze de bijrijdersstoel nog snel even probeert schoon te vegen, ’Maar tegen die kinderen van mij valt niet aan te stofzuigen.’

Bij haar huis aangekomen gaan we eerst naar de keuken om thee te zetten. Ik zie drie katten, nog veel meer kinderspullen, een grote bank vol kussens en een rommelige keuken vol aangekoekte afwas. ’Groene thee?’ Ik knik en volg haar met volle theepot en al de tuin in. ‘Zie je die mooie bloemen? Ik heb van het weekend de hele tuin gedaan. Moest even mijn hoofd leegmaken van al dat schrijven.’ Ik volg haar trotse blik en zie een onduidelijk afgebakend bloemenperkje met hier en daar een quasi bloeiend struikje. Eromheen een onregelmatig grasveld met meer bruin dan groen.    

We lopen door naar het tuinhuis, oftewel haar kantoor. Terwijl zij weer naar het huis rent om de rinkelende telefoon op te nemen kijk ik om me heen. Vanuit een uitpuilende boekenkast staart een Gouden Kalf me aan. Aan het oor hangen tientallen pasjes van filmfestivals. De muren zijn bezaaid met prijzen en filmposters waar haar naam op prijkt. Er hangt een rek vol dvd’s van de door haar geschreven films, vertaald in alle mogelijke talen. Ik draai me om en kijk recht in de smoel van een opgezette kat; gebruikt voor de film Minoes.

Ze komt weer binnen gestormd en neemt plaats achter haar bureau. Een enorme stapel papierwerk wordt opzij geschoven en ze pakt mijn werk erbij. Twee uur lang hebben we het over Laurens, Mark en mijn andere zeven personages. We bespreken plotpoints, sequenties, de climax en de resolutie. Terwijl ze thee bijschenkt spitten we mijn verhaallijnen om. Af en toe verstopt ze haar hoofd in haar handen, wrijft over haar voorhoofd en doet dan een briljante suggestie die ik zelf nooit had kunnen verzinnen.

Als ze me weer naar het station rijdt lijkt ze mijn gedachten te lezen. ‘Maak je geen zorgen hoor, het wordt echt hartstikke leuk. Het lijkt nu alsof je het nooit afkrijgt maar je hebt al zoveel materiaal, je moet het alleen nog even wat aanscherpen. Niet nadenken, gewoon typen! Volg je gevoel, dat heeft altijd gelijk.’ Als zij het zegt klinkt het allemaal zo logisch en waar. Ik weet nu al dat eenmaal thuis de moed me toch wel weer in de schoenen zal zakken.   

Ik stap uit. Zij rijdt terug naar huis om te gaan schrijven. Ik stel me haar voor in haar tuinhuis en even, heel even, zie ik mezelf over twintig jaar. Mijn vingers ratelen soepeltjes over de toetsen. Als ik het even niet meer weet staar ik wat naar buiten over mijn zelf aangelegde bloemenperkje. ‘s Avonds schaar ik me op de grote bank bij man, kinderen en katten en vertel over die studente van de filmacademie die ik help met het schrijven van haar eindproject.

Een gele flits, een sis; de trein is er. Ik stap met een glimlach in. Het komt allemaal wel goed.